Twitter Facebook RSS Feed Email
Posts tonen met het label Drogredenen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Drogredenen. Alle posts tonen

Goed versus juist oordelen

De fundamentele vraag die een kritisch professional zich (dus) continu stelt is "Waarom zou ik deze informatie aanvaarden?" Als deze informatie specifiek een oordeel betreft, wordt dit de vraag: "Waarom zou ik dit betoog of deze redenering aanvaarden?" Omdat deze vraag nog vrij algemeen is, kun je met behulp van drie verschillende methodes deze vraag specifieker maken (dat lees je hier). Nu kwam hierbij een aantal keren het begrip goed oordeel terug. Het is het nuttig om dit af te zetten tegen wat een  juist oordeel is.
 
Goed versus juist oordelen
Om vast te stellen of sprake is van een goed oordeel kijk je naar de kwaliteit van het oordeel. Wat de inhoud is, doet hierbij niet ter zake. Afhankelijk van de situatie kan dit de kwaliteit van een oordeel van een individu betreffen (bijvoorbeeld van een collega, een bestuurder of van een klant) dan wel de kwaliteit van het oordeel van een groep (bijvoorbeeld het gezamenlijke oordeel van een verpleegkundig team, van een college van bestuur of een meervoudige kamer van een rechtbank). Wat het oordeel inhoudelijk zelf is, doet voor de 'goedheid' even niet ter zake. De uitkomst van een oordeel maakt met andere woorden een oordeel niet meer of minder goed.
 
Een oordeel noem je daarentegen een juist oordeel als het oordeel inhoudelijk klopt. Met andere woorden: een professional heeft een juist oordeel gemaakt als je vind dat je uitkomst kunt omarmen. Het oordeel is zoals het moet zijn; je bent met het oordeel eens [1].
 
Voorbeeld 2
We verwachten van overheidsorganen dat zij in hun oordeelsvorming de relevante feiten afzetten tegen het toepasselijke recht. Stel een juridisch medewerker van een gemeente verleent iemand een bijstandsuitkering. Als het oordeel dat hieraan ten grondslag ligt enkel gebaseerd is op een eerste indruk die de ambtenaar heeft van de mogelijke bijstandsgerechtigde dan zou dit geen goed genomen oordeel zijn. Hetzelfde geldt voor als deze ambtenaar bijstand gaat verlenen omdat hem dit een goed gevoel geeft. Of als de ambtenaar coulanter is omdat hij net lekker geluncht heeft. Dit sluit echter niet uit dat het eindoordeel – toevallig – wel juist is. Dat iemand gezien zijn situatie en gezien de voorwaarden voor bijstandsverlening inderdaad bijstand zou moeten krijgen. 
 
De meerwaarde van deze - theoretische [2] - tweedeling is dat het de mogelijkheid laat zien dat iemand het met een oordeel van iemand eens is (het is juist) terwijl qua redenering een geheel ander pad is bewandeld.

Voorbeeld 3
Stel een arts komt weloverwogen, met behulp van wetenschappelijk bewezen informatie en na inzet van diverse onderzoeken e.d., tot de conclusie dat een patiënt van hem de ziekte van Lyme heeft. Hier lijkt - even kort door de bocht - dan sprake te zijn van een goed oordeel. Als de patiënt vervolgens na een hierop gerichte behandeling langzaam hersteld dan zou je kunnen stellen dat het oordeel - de diagnose - ook juist was. Misschien had de buurvrouw ondertussen reeds hetzelfde geconcludeerd: mijn buurman heeft de ziekte van Lyme. Haar verklaring: enkele verschijnselen doen haar denken aan iets dat ze gelezen heeft in een advertorial in haar favoriete glossy. Haar oordeel lijkt - in de wetenschap wat de arts heeft vastgesteld - dan juist. Maar de oordeelsvorming zelf is verre van goed. Misschien hadden de verschijnselen die ze meeweegt ook evenwel tot andere conclusies kunnen leiden? Had ze andere ziekten wel uitgesloten? Is sowieso informatie uit een advertorial wel betrouwbaar? 
 
Gezien het thema van dit boek zul je in wat volgt enkel gaan lezen over welke vragen een professional kan stellen om te achterhalen of een oordeel een goed oordeel is [3]. Of de beroepsbeoefenaar om deze reden het oordeel kan aanvaarden. Wat het in de praktijk lastig maakt, is dat het in beginsel dus niet relevant is of je het met de uitkomst eens bent. Of je het oordeel juist vindt. Sterker, als je vragen gaat stellen over een oordeel is het juist de kunst om je eigen mening uit te zetten. Daarmee voorkom je dat je enkel sturende vragen gaat stellen ten aanzien van de oordelen en oordeelsvorming (dit zal namelijk als het om de kwaliteit van oordeelsvorming gaat weinig zinvol zijn).

__________

[1]
Of dat ooit mogelijk is, wordt door sommige filosofen bestreden. Een ander vraagstuk is of een oordeel ooit goed gemaakt kan zijn terwijl de uitkomst niet de juiste zou zijn. Ruim 2000 jaar geleden betoogde Socrates reeds - zoals beschreven door Plato - dat dit niet mogelijk is.
 
[2]
In het dagelijks taalgebruik worden de woorden wel door elkaar gebruikt. Iemand noemt dan een oordeel van een beroepsbeoefenaar bijvoorbeeld goed omdat de persoon het oordeel inhoudelijk een juist oordeel vindt. Bijvoorbeeld als een senior-jurist tegen een junior-jurist zegt: "Je hebt er goed aangedaan het bezwaar af te wijzen."

[3]
Deze insteek en afbakening kent wel een aantal filosofische (discutabele) vooronderstellingen. Ten eerste veronderstelt dit onderscheid dat mensen zelfstandig kunnen oordelen. Sommige filosofen zullen hiervan vinden dat dit ten onrechte een aantal filosofische discussies beslecht (kun je wel streven naar waarheid, hebben we wel een vrije wil, et cetera). Ten tweede doemt een cirkelredenering op. Het oordeel of iets goede oordeelsvorming is, is namelijk zelf ook weer een oordeel. Hoe weet je dan dat deze juist is? Ten derde is het verschil tussen proces en inhoud volgens sommige filosofen niet houdbaar. Achter het idee wat goed oordelen is (bijvoorbeeld dat een oordeel transparant moet zijn) gaan indirect normatieve ideeën schuil over wat goed (samen) leven is (we moeten leven in een transparante samenleving).  

Drogredenen

Tot nu toe heb ik twee manieren behandeld waarmee je kunt vaststellen of je een betoog of redenering kunt omarmen of eerst moet bevragen. De eerste methode bevraagt hierbij met name het proces van oordeelsvorming terwijl de tweede methode betogen en redeneringen beziet vanuit de vier criteria die een betoog of redenering goed maken.

De houdbaarheid - meer formeel de aanvaardbaarheid - van een betoog of redenering kun je ook nog op een derde manier bevragen. Dit is door te onderzoeken of de in een oordelen of redeneringen gebruikte oordelen een drogreden is.


Een drogreden is een reden (argument) die op eerste gezicht overtuigend lijkt maar waarin een redeneerfout zit. 


Een drogreden is een foutieve redenering omdat er een denkfout in zit. Het is geen redelijk argument.

Voorbeelden van drogredenen (uitleg volgt later)
- De manager: "Ik wil dat alle medewerkers het voorstel omarmen want anders ontsla ik ze."
- De verpleegkundige: "U wordt wel weer beter. De patiënt die voor u in dit bed lag, is namelijk ook snel beter geworden."
- De jurist: "Hier is sprake van een overeenkomst. Want anders zouden de gevolgen niet te overzien zijn."
- De politicus: "Wij kunnen ons niet vinden in het voorstel van dhr. Jansen. Dhr. Jansen heeft in het verleden onze voorstellen immers ook niet omarmd."
 
Door een betoog of redenering te onderzoeken op drogredenen hanteer je een andere aanvliegroute dan bij de andere twee methodes. Bij de drogreden-methode onderzoek je vooral wat fout is; Je onderzoekt of een oordeel niet goed is. Dit is met name tegengesteld aan de HART-methode waarbij je kijkt of het oordeel goed is [1].
 
Dit maakt de drogreden-methode enerzijds voor veel beroepsbeoefenaren leuker om in te zetten ("je gaat lekker bij de ander vaststellen of hij drogredenen gebruikt") maar anderzijds ook minder vruchtbaar om te komen tot goede oordeelsvorming. De ander zal gezien de menselijke cognitieve beperkingen zich immers enkel maar meer ingraven als je hem op eventuele drogredenen wijst. Het is dan ook de kunst om de ander niet enkel te pareren met "ha, ik heb deze of deze drogreden gesignaleerd" maar eerder te bevragen wetende dat de ander (mogelijk) niet correct redeneert.

Ik zal hierna de meest voorkomende drogredenen behandelen. Ik maak daarbij een onderscheid tussen formele en informele drogredenen. Indien de drogreden heeft te maken met de formele logica van de redenering dan spreek je over een formele drogreden. In  dat geval gaat de afleiding niet goed. Daarnaast zijn er drogredenen die te maken hebben met de redelijkheid van de inhoud. Een dergelijke drogreden noem je een informele drogreden [2]. Grofweg zie je hier een gelijke tweedeling terug als tussen deductief redeneren en inductief redeneren.

__________

[1]
De tweedeling tussen goed en slecht oordelen kan ook gelezen worden in de stelling van John Stuart Mill dat “The philosophy of reasoning, to be complete, ought to comprise the theory of bad as well as of good reasoning.” Zie John Stuart Mill, A System of Logic, Ratiocinative and Inductive: Being a Connected View of the Principles of Evidence, and the Methods of Scientific Investigation, Volume 2, Boek V (On fallacies), Hoofdstuk 1 (John W. Parker / West Strand, 1843).

[2]
Het is belangrijk om in te zien dat de keuze als indeling van de drogredenen soms arbitrair is. Bepaalde drogredenen vallen in meerdere categorieën, andere hebben weer een zekere overeenkomst, et cetera. Er zijn dan ook handboeken en websites waarin tientallen verschillende drogredenen worden genoemd waarbij kleine nuances het verschil tussen de drogredenen maken. Dit maakt het soms lastig om werkelijk grip te krijgen op deze materie. Zie voor een gelijke conclusie: Verplaetse, J., For the sake of argument: argumentatieleer voor juristen en ethici, Maklu, 2004, bladzijde 55.

De beste Zwarte Piet drogredenen

(geactualiseerd op 26/11/2014 met dank aan S.H!)

DROGREDENEN
Hieronder vind je een overzicht met drogredenen om Zwarte Piet te behouden in de Nederlandse Sinterklaastraditie. Het lijstje is niet bedoeld om een standpunt uit te spreken maar enkel om de discussie te verbeteren. Want let op: tegenstanders hanteren net zo goed de mooiste drogredenen (bijvoorbeeld de genetic-fallacy, het verschuiven van de bewijslast en de post hoc ergo propter hoc). Aanvullingen en wijzigingen welkom! Ook drogredenen van tegenstanders hoor ik graag.

Overzicht met Zwarte Piet drogredenen 

1. Zwarte Piet moet blijven want het is traditie.
Argumentum ad antiquitatem (beroep op traditie/verleden).

2. Zwarte Piet moet blijven want anders sla ik je in elkaar.
Argumentum ad baculum (beroep op dreigementen).

3. Zwarte Piet moet blijven want er is geen bewijs dat mensen die dit omarmen racistisch zijn.
Argumentum ad ignorantiam (beroep op onwetendheid).

4. Zwarte Piet moet blijven want mensen die hierop tegen zijn, zoals Prem, doen dit enkel om zelf goedkoop te scoren.
Argumentum ad hominem (circumstantial: de motieven ter discussie stellen).

5. Zwarte Piet moet blijven want mensen die hierop tegen zijn, sporen niet.
Argumentum ad hominem (persoonlijke aanval).

6. Zwarte Piet moet blijven. De meerderheid vindt dit immers.
Argumentum ad populum (beroep op de meerderheid).

7. Zwarte Piet moet blijven. What's next. Moeten we straks ook nog de Zwarte Cross en de Zwarte markt verbieden?
Ambiguïteitsdrogreden en argumentum ad consequentiam (beroep op gevolgen).

8. Zwarte Piet moet blijven. Er zijn ergere dingen in de wereld! De VN zou de situatie in Mali eens moeten onderzoeken.
Red herring (verschuiven naar ander standpunt).

9. Zwarte Piet moet blijven. Want het Sinterklaasfeest mag ons niet worden afgepakt!
Stroman/stropop-drogreden (standpunt vertekenen).

10. Zwarte Piet moet blijven. Nergens in de wet staat dat het niet zou mogen.
Argumentum ad legis (beroep op de wet).

11. Zwarte Piet moet blijven. Minister-president Mark Rutte zei dit immers ook.
Autoriteitsdrogreden.

12. Zwarte Piet moet blijven. Onze kinderen ontlenen er zoveel plezier aan!
Argumentum ad misericordiam (beroep op medelijden) en argumentum ad consequentiam.

13. Zwarte Piet moet blijven. Er zijn ook donkere mensen die het geen probleem vinden.
Secundum quid (overhaaste generalisatie)?

14. Zwarte Piet moet blijven want anders is het racisme ten opzichte van de Nederlandse traditie. 
Tu quoque (jij-ook of jij-bak: de andere hetzelfde verwijten) en semantische drogreden.

15. Zwarte Piet moet blijven; als weldenkende Nederlander vindt u dat natuurlijk ook.
Argumentum ad passiones, specifiek: beroep op emoties, namelijk vleierij.

16. Zwarte Piet moet blijven. De ramadan mag toch ook blijven?
Valse / onjuiste analogie

17. Zwarte Piet moet blijven. Ons feest mag namelijk niet verloren gaan.
Vals dilemma

18. Zwarte Piet moet blijven. Er is geen slavernij meer.Ignoratio elenchi (irrelevante argumentatie)

19. Zwarte Piet moet blijven. Ik maak me toch ook niet meer druk om de Duitsers die hier tijdens de Tweede Wereldoorlog waren?Ignoratio elenchi (irrelevante argumentatie) / red herring

... (nog meer?)

Tip #07: Gaat de ander wel in op de argumenten / de vraag? (onbekendheid met de weerlegging)

Werd op Dijsselbloem, (destijds) voorzitter van de Eurogroep, een karaktermoord gepleegd? Deze conclusie kwam volgens velen begin 2013 bovendrijven nadat Dijsselbloem veel kritiek had gekregen over bepaalde uitspraken (zie hier of reacties op bericht hier). Maar misschien had de kritiek op hem ook te maken met de zaken die hij als ervaren politicus misschien bewust niet zei. Waardoor hij extra kwetsbaar werd.

De availability-bias: argumenteren met wat beschikbaar is

Sommige zaken staan je beter voor de geest dan andere zaken. Bepaalde voorbeelden kun je je bijvoorbeeld makkelijker herinneren dan andere (die dag dat je een inbraak zag vs die dag dat je in de stad liep en er niets gebeurde). Ook kunnen bepaalde ideeën of visies een meer dominante plek hebben in je geheugen dan andere. Over sommige informatie beschik je misschien zelfs helemaal niet omdat je hier nooit mee in aanraking bent gekomen. Logisch? Misschien wel maar dit mechanisme kan ons desondanks lelijk opbreken als we aan het argumenteren slaan.


Argumenteren
Theorie: de availabilty bias
We zijn namelijk geneigd om ons ook te snel een mening te vormen op basis van de meer toegankelijke informatie. Vooral aan persoonlijke ervaringen hechten we snel veel te veel waarde. Dit komt de argumentatie vervolgens niet ten goede als we hiermee gaan argumenteren/redeneren. We trappen misschien dan te snel in de valkuil van de availability-bias (soms vertaald met beschikbaarheidsheuristiek of beschikbaarheidsvalkuil). Omdat een bepaald voorbeeld of idee available is, kiezen we deze ook of denken we dat we een afweging die hierop gebaseerd is de juiste afweging is. Informatie waartoe we geen of slecht toegang hebben, nemen we niet mee in onze afweging. Dit maakt het een cognitieve valkuil.

Voorbeeld 1. De manager, moet ik wel of niet reorganiseren?
Een manager die eerder een succesvolle reorganisatie heeft meegemaakt, zal eerder voor een reorganisatie kiezen dan een manager die nog nooit een reorganisatie heeft meegemaakt. 

Voorbeeld 2. De politicius, moeten we een langstudeerboete invoeren?
Sander de Rouwe, politicus van het CDA, ging bijvoorbeeld de fout in toen hem werd gevraagd naar de langstudeerboete (EenVandaag, 11 juli 2011, vanaf 09:00):
"Ik heb zelf ook mijn HBO gehaald, ook binnen de tijd. Ik was gemeenteraadslid, fractievoorzitter zelfs en ik werkte parttime bij een zaak.
Dus heel veel studenten kunnen het ook wel.
En het kan inderdaad zijn dat bepaalde studenten het niveau gewoon niet aankunnen. Dan moeten ze een keuze maken. Of gewoon harder en meer studeren of minder sportactiviteit of werk. Je kunt niet alles in het leven en ik vind ook de overheid kan niet alles betalen voor studenten."

Twee zaken - relevant voor deze posting - gaan hier bij qua argumentatie mis; twee zaken die aan elkaar gelieerd zijn:

  • Om te beginnen generaliseert De Rouwe wel erg snel. Het standpunt "dus heel veel studenten kunnen het ook wel" baseert hij immers op één voorbeeld. Hier zou hij op bevraagd kunnen worden. 
  • Dit voorbeeld is ook nog eens gebaseerd op een eigen ervaring. Hierdoor lijkt sprake te zijn van de valkuil van de availability-bias. De Rouwe beschikt over een duidelijk voorbeeld - zijn eigen situatie - en gebruikt dit in het argument. Waarschijnlijk omdat zijn eigen ervaring beschikbaar is. Het was beter geweest als de constatering dat "veel studenten het ook wel kunnen" onderbouwd was geweest met gedegen onderzoek. Hier had De Rouwe op bevraagd kunnen worden.

De sunk costs drogreden en valkuil

Sunk costs drogreden en valkuil




Zowel in de discussies over Europa als over de JSF zagen we deze week sommige mensen in de valkuil van de sunk costs (gezonken kosten) trappen. We vinden het lastig om gemaakte kosten die we niet meer kunnen goedmaken niet mee te wegen als we moeten beslissen over de toekomst. Dit is echter niet rationeel. Als iemand toch de sunk costs meeweegt in zijn of haar beslissing, kun je spreken van een drogreden.






Theorie achter de sunk costs
Van de sunk costs drogreden is sprake als iemand eerder gemaakte kosten die niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden mee laat wegen bij (toekomstige) economische/financiële beslissingen. Vergeten echter wordt dat kosten die we in het verleden hebben gemaakt we sowieso kwijt zijn.

Een herkenbaar en om die reden vaak beschreven voorbeeld is die van de aankoop van een bioscoopkaartje. De kosten van het kaartje ben je - eenmaal gekocht - altijd kwijt. Mensen vinden het desondanks lastig om halverwege de bioscoop te verlaten want "ze hebben immers niet voor niets betaald". Weggaan is rationeel gezien toch logischer. De kosten zijn immers toch gemaakt. Door halverwege weg te gaan, schenkt iemand zich tijd en wordt verveling of irritatie over de film voorkomen.

Europa
Deze week hoorde ik in discussies over Europa deze drogreden soms gemaakt worden. Omdat we reeds veel hebben geïnvesteerd in Europa moeten we wel hier mee door gaan, zo is de redenering. Dit argument is niet deugdelijk. Ook hier geldt: de kosten zijn gemaakt. Er kunnen goede - als slechte - redenen zijn om wel door te gaan (bijvoorbeeld als iemand stelt dat Europa in de toekomst ons wel veel gaat opleveren) maar dat we an sich al kosten hebben gemaakt hoeft ons niet te overtuigen.




JSF
Ook ten aanzien van de Joint Strike Fighter moeten we oppassen voor deze drogreden. De politici in de video gaat het goed af maar soms wordt het argument ingenomen dat we wel moeten doorgaan met de JSF omdat we nu eenmaal reeds veel geïnvesteerd hebben. Door te stoppen zouden deze kosten niet meer goed gemaakt worden. Opnieuw, dit is een drogreden. De beslissing om wel of niet door te gaan met de JSF zou moeten worden bepaald door (o.a.) wat het vliegtuig ons gaat opleveren (wel of geen banen e.d.) of hoe zeker valt te voorspellen wat het definitieve vliegtuig gaat kosten. De constatering dat we reeds veel geïnvesteerd hebben, doet rationeel gezien niet ter zake. Hooguit dat we hierdoor reeds een situatie hebben gecreëerd om te verdienen. Maar het laatste moet voorop staan: gaan we wel of niet aan het vliegtuig verdienen (naast andere beleidsmatige en politieke afwegingen natuurlijk).

Andere voorbeelden
Veel mensen vinden het lastig om een belegging die het slecht doet op te geven. De redenering is dat de kosten nu eenmaal gemaakt zijn en dat het daarom wel goed moet komen. De rationele afweging die de belegger echter zou moeten maken, is of te verwachten valt of "de belegging gaat stijgen". Ongeacht de gemaakte kosten in het verleden. Indien te verwachten valt dat bijvoorbeeld een aandeel enkel zal dalen, is het rationeel beter om afscheid te nemen van het aandeel. De kosten die gemaakt zijn, zijn toch reeds gemaakt..

Deze valkuil kan tevens de reden zijn van het volgende:
- In het restaurant het bord helemaal leegeten al zit je vol (je hebt er toch voor betaald).
- Op het terras een drankje helemaal opdrinken al vind je het niet lekker.
- Doorgaan met een ontwikkelingsproject ondanks dat een beter alternatief de markt reeds heeft betreden.

Dus: beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald. In ieder geval als het de gemaakte en niet meer ongedaan gemaakte kosten betreft. Maar dit is lastig. Helemaal als het voorkomen van gezichtsverlies of het idee dat je anders verkwistend overkomt meespeelt.

Motieven verdacht maken (voorbeeld en uitleg)

Verdacht maken motieven drogreden
Vorige week berichtte ik reeds over de stroman-drogreden en gaf ik enkele voorbeelden uit de voetbalwereld. Naast de stroman is het verdacht maken van de motieven van de ander een veel voorkomende maar vaak ondeugdelijke manier om een ander te overtuigen. Aan Johan Derksen hebben we deze week een voorbeeld van deze ad-hominem-drogreden "het verdacht maken van de motieven" te danken. 

Theorie achter het verdacht maken van de motieven
Van de drogreden "het verdacht maken van de motieven" is sprake als iemand niet ingaat op de argumentatie van de ander maar in plaats daarvan de motieven van de ander ter discussie stelt. Hiermee probeert de persoon voor elkaar te krijgen dat het publiek denkt dat de ander een belang heeft bij het door hem of haar ingenomen standpunt én dat het ingenomen standpunt daarom niet juist is. Dit hoeft natuurlijk niet zo te zijn. Ook al heeft iemand een belang bij een zaak dan nog kan zijn argumentatie inhoudelijk juist zijn.

Deze manier van argumenteren is hiermee een vorm van het op de man spelen (argumentum ad hominem). Sprake is namelijk van een indirecte aanval op de persoon. In het Engels wordt deze drogreden ook wel als een vorm van de "ad hominem circumstantial" genoemd. Dit wordt door sommige theoretici soms naar het Nederlands "vertaalt" tot de ad hominem circumstantial-variant-drogreden. In plaats van dat inhoudelijk het standpunt wordt aangevallen worden de (bijkomende) omstandigheden van de persoon die het standpunt verwoordt aangevallen.

Johan
Deze week zagen we Johan Derksen in VI Oranje een goed voorbeeld geven van deze drogreden. Slachtoffer was John van den Heuvel.

Van den Heuvel stelde direct bij aanvang van de uitzending hoe onredelijk hij het had gevonden hoe John Heitinga eerder die week was aangevallen door Johan Derksen. Johan Derksen was dit niet met hem eens en herhaalde zijn argumentatie. Naast deze inhoudelijke argumenten stelde Derksen echter ook dat Van den Heuvel als "vriendje van Heitinga" duidelijk niet objectief was en daarom niet juist redeneerde. Hiermee werden de motieven van Van den Heuvel verdacht gemaakt teneinde de kijker te overtuigen van zijn - Derksen's - gelijk.

Enkele voorbeelden (en zie de hele uitzending voor alle voorbeelden):

Andere voorbeelden
- Het is logisch dat Van Marwijk ook Mark van Bommel opstelde. Hij is immers diens schoonzoon.
- Het is logisch dat deze site voor het keurmerk "webwinkel-keurmerk" is. Ze hebben zelfs immers dat keurmerk ook.
- De beslissingen van dat jurylid waren niet goed. Maar wat wil je. Het jurylid was vroeger lid van die club.
- Natuurlijk is hij voor het wijzigen van de bestemming van dat stukje grond. Hij wil er grote huizen op bouwen.

Verdacht maken motieven gewenst?
Het verdacht maken van de motieven hoeft niet altijd ondeugdelijk te zijn. Soms kan het namelijk toch voorkomen dat het gewenst is om de motieven van de ander verdacht te maken. Of op z'n minst onder de aandacht van anderen te brengen. Concludeer daarom niet dat het verdacht maken van de motieven per definitie een drogreden is.

Binnen het recht kan het bijvoorbeeld wenselijk zijn om een rechter onder deze noemer te wraken. Iedere rechterlijke schijn van onpartijdigheid brengt met zich mee dat (ook) de motieven van rechter niet verdacht mogen zijn. Sowieso kan in het algemeen als iemand belang heeft bij een bepaalde uitkomst - en hiermee dus verdachte motieven heeft - tunnelvisie ontstaan.

Indien je merkt dat een ander verdachte motieven heeft, is dit een goede reden om alert te zijn. De inhoudelijke argumentatie moet dus extra goed zijn.

Dus John?
Wie zegt ons dus dat John van den Heuvel echt zuiver redeneerde en niet - bewust of onbewust - zijn vriend John Heitinga probeerde te helpen? Dat hij direct bij aanvang van de uitzending met dit punt kwam, maakt dat we in ieder geval kritisch mogen zijn. Anderzijds is enkel het hebben van verdachte motieven nog niet voldoende om daarom het maar niet met John eens te zijn.

De stroman drogreden (voorbeeld en uitleg)

Stroman drogreden
We zagen deze week weer diverse stroman drogredenen langskomen. Zeker nadat het Nederlands elftal werd uitgeschakeld en veel van de 16 miljoen bondscoaches op diverse fora hun mening hierover verkondigde. Wat moeten we van Van Persie vinden? Is het juist dat hij geen interviews willen geven? Moet Van Marwijk aanblijven? Wel of niet de mening van Sneijder volgen? Een stroman ligt op de loer.....

Theorie van de stroman
Van een stroman drogreden is sprake als iemand het standpunt van een ander vertekent - of zelfs een ander standpunt verzint - waardoor de persoon met het oorspronkelijke standpunt gemakkelijker aangevallen kan worden. Een standpunt van een ander vertekenen of een ander standpunt voor een ander verzinnen, is echter niet deugdelijk. Een aanval op een standpunt moet namelijk - als we zuiver willen argumenteren - altijd gericht zijn op het standpunt dat de ander daadwerkelijk naar voren heeft gebracht.

Wesley
Nu werd deze week bekend dat Wesley Sneijder zich ergerde aan een lek in de EK-groep. Hij uitte dit na de verloren wedstrijd tegen Portugal. Sneijder was met name ontstemd over hoe informatie van de besloten trainingen van het Nederlands elftal in de kranten was verschenen. Een interessant vraagstuk: moet een voetballer altijd de informatie van besloten trainingen voor zich houden?

Het standpunt van Sneijder was duidelijk: ja. Informatie uit een besloten training mag nooit naar buiten komen. Een belangrijk argument van hem voor dit standpunt was dat een lek het lastiger maakt om elkaar te vertrouwen. Dit komt het spel uiteindelijk niet ten goede.

De stroman in de praktijk
Iemand kan het hier natuurlijk niet mee eens zijn. De argumenten tegen dit standpunt kunnen echter ook een stroman zijn. Maar wanneer is nu sprake van een stroman? Als niet op het standpunt (en argumentatie) wordt ingegaan maar
- het standpunt wordt vertekend. Bijvoorbeeld als gezegd zou worden dat het standpunt van Sneijder was dat "het lek de enige oorzaak was van het verlies" (zie no. 3 in de reacties), of als
- een ander standpunt wordt verzonnen. Bijvoorbeeld als gezegd zou worden dat het standpunt van Sneijder was dat "een training nooit besloten zou moeten zijn".

De er-zijn-belangrijkere-zaken-stroman
Ook van een stroman is sprake als gesteld wordt dat de ander zich beter met belangrijkere zaken kan bezighouden. Het standpunt dat iemand dan in de schoenen wordt geschoven is dat hij of zij andere zaken ten onrechte niet belangrijk vindt.

Deze drogreden komt vaak voor als iemand reageert op een geschreven standpunt dat voorkomt uit een interview of tv of op de radio. Omdat in een geschreven stuk maar een deel van het interview terugkomt, lijkt het net of iemand over andere, misschien belangrijkere zaken niets heeft gezegd. Dit hoeft echter niet zo te zijn. Ook een redactie van een site kan hiervoor gekozen hebben.

Indien een supporter stelt dat Sneijder zich beter met de speelwijze van Oranje had kunnen bezighouden in plaats van met dit lek (zie reactie 6 en 8) dan miskent hij of zij dat Sneijder misschien zich ook druk heeft gemaakt over de speelwijze en hierover dus misschien ook een standpunt had ingenomen. Dit kwam enkel niet in het nieuwsitem waarover gediscussieerd werd terug. Veel argumentatie-theoretici spreken dan van een stroman.

Minister Schippers (VVD): geen onderzoek matchfixing want ons zijn geen signalen bekend. Deugdelijk?

Ik werd nog gewezen op het volgende interview met minister Schippers van Sport. Hierin geeft ze aan dat het niet nodig is om een onderzoek te doen naar matchfixing. Haar argumentatie roept echter wel wat vragen op.




Is haar argumentatie deugdelijk of hebben we te maken met een aantal drogredenen? De twee belangrijkste argumenten:

1. Er komt geen onderzoek naar matchfixing want we hebben geen signalen dat dit in Nederland gebeurt. 
2. Er komt geen onderzoek want het is een Europees probleem.

We zien
1. het verschuiven van bewijslast? Lastig. Ze zegt niet dat er geen matchfixing is omdat anderen niet kunnen bewijzen dat dit er wel is. Het is in ieder geval wel een intrigerend argument. Je kunt immers ook onderzoek doen naar het bestaan van signalen.
2. het verschuiven van verantwoordelijkheid

Nog even los van de constatering dat volgens sommige politici er juist signalen zijn:

'Meer onderzoek naar manipulatie voetbalwedstrijden', Volkskrant, 24-05-2012
• Geen onderzoek omkoping voetbal, NOS, 31-05-2012

Hennis-Plaaschaert, Asscher en Madlener. Hoe effectief (en eensgezind) een discussie te beëindigen.

Vorige week stelde Bernard Wientjes, voorzitter van de werkgeversorganisatie VNO-NCW, in een interview in NRC Handelsblad dat er te weinig toppolitici zijn in Nederland. Dit leidde tot irritatie bij meerdere politici. Nu zijn we gelukkig een week verder en zijn de gemoederen weer wat bebaard. Dus tijd voor een analyse.

Wat zei Wientjes nu letterlijk:
"Ik vind dat we weinig toppolitici hebben in Nederland. Een goede politicus hoort mensen mee te sleuren. Hoort een visie te hebben. Mensen bijvoorbeeld vertellen waarom Europa zo belangrijk is. Of waar we heen gaan met dit land, als contrast met de sombere stemming die groeit. We missen daardoor echt economische kansen. En de economie en het landsbelang liggen zo dicht bij elkaar."
Bij het radioprogramma Tros Kamerbreed reageerden drie politici op de uitlatingen van Wientjes: VVD-Tweede Kamerlid Jeanine Hennis-Plasschaert, de Amsterdamse wethouder Lodewijk Asscher van de PvdA en Europarlementariër Barry Madlener van de PVV. Maar tonen ze nu - met hun reacties - Wientjes het gelijk van Wientjes? Geen van de drie politici gaat in ieder geval inhoudelijk op de stelling van Wientjes in.

1. Lodewijk Asscher zegt in hetzelfde programma dat hij het "dieptriest'' vindt dat mensen die al zo lang rondlopen steeds iets anders zeggen. Wientjes is een ,,draaitol' op zichzelf.
Analyse
Een argumentum ad hominem: de persoonlijke aanval / stroman.
Asscher: "Om vanuit zijn positie achter je sigaar op deze manier hardwerkende politici - en dan bedoel ik van alle partijen een schop te geven, wat schiet je daar mee op?"
Analyse 
Hier lijkt Asscher te impliceren dat omdat het niet wenselijk is dat het standpunt verwoord wordt (wat schieten we er mee op),  het daarom niet waar is. Of stiekem toch wel? De lezersvraag is hoe deze drogreden heet (het begint met ad con...). Het wijzen op de sigaar is ondertussen een stroman.
2. Jeanine Hennis-Plasschaert (VVD) zegt in de uitzending dat ze zich mateloos stoort aan zulke uitlatingen. Ze vindt dat "mensen die zoiets roeptoeteren niet moeten blijven kwebbelen aan de zijlijn maar zelf de moed moeten hebben zich actief op te stellen.".
Analyse 
Een argumentum ad hominem: de jij-bak
3. Europarlementariër Barry Madlener van de PVV kwalificeert Wientjes als de ,,vleesgeworden arrogantie van de oude politiek.'' Wat hem betreft gaat de werkgeversvoorman snel met pensioen: "hij is een uitermate zwak vertegenwoordiger van het bedrijfsleven."
Analyse 
Ook een persoonlijke aanval.
Het is interessant dat wat Wientjes als argument gebruikt (het gedrag van politici schaadt de economie en het landsbelang) hem vervolgens verweten wordt. Tja, wie schaadt nu daadwerkelijk de economie? Het doet denken aan spelende kinderen: Jij-bent-stom, Nee-jij-bent-stom, Nee-jij-bent-stom, .... Mamaaaaaaa.... Welbeschouwd lijkt de discussie nu wel gesloten te zijn dus effectief was het optreden van de dames en heren politici wel.

Vraag twee: was de oproep van Wientjes eigenlijk ook geen persoonlijke aanval (ad hominem)? En waarom niet (hint)?

Wientjes ziet te weinig toppolitici, Tros Kamerbreed, 05-05-2012
'Gebrek kwaliteit en overschot narcisme onder politici', Elsevier, 05-05-2012
Politici reageren geprikkeld op kritiek werkgeversvoorman Wientjes, Elsevier, 05-05-2012

Lezen we in de uitspraak inzake de dodenherdenking Vorden te veel de persoonlijkheid van de rechter?

Graag wijs ik nog op het artikel op het weblog van NRC, geschreven door Folkert Jensma, over de vraag of een rechter de burgemeester mag verbieden om Duitse soldaten te herdenken op 4 mei. Het stuk en de uitspraak zijn om drie redenen interessant.

1. Ten eerste om het juridisch inhoudelijke vraagstuk zelf. Mag een rechter inderdaad een burgemeester verbieden Duitse soldaten te herdenken op 4 mei indien hiertoe wordt verzocht door het FJN? Op het weblog een analyse en een aantal commentaren van juristen op deze inhoudelijke rechtsvraag. Wat schrijft het recht voor? Was bijvoorbeeld het FJN wel ontvankelijk?

2. Ten tweede - en dit is wel nauw verbonden aan het eerste punt - doet de vraag zich voor in hoeverre we in deze uitspraak de persoonlijkheid van de rechter terugzien. Dit bij afwezigheid van duidelijke juridische gronden. Oordeelt de rechter deugdelijk? Een reactie op de NRC-site:
"Angst is een slechte raadgever; dat blijkt ook hier maar weer. De Vordenaren hebben dat laten zien door, op een enkeling na, zelfstandig langs de Duitse graven te lopen, hoewel de burgemeester dat niet deed. Een wat mij betreft prachtig, heel adequaat en ontroerend antwoord op de vrees van de rechter."
Speelt angst? Speelt een conservatieve insteek? Er zitten in ieder geval verschillende verzwegen elementen in het betoog. Elementen die om toelichting vragen. Bijvoorbeeld de verzwegen normen:
- Een nieuwe insteek van de dodenherdenking als deze mag niet onmiddellijk plaatsvinden indien een belangrijk deel van betrokkenen hiermee in algemene zin niet instemt
- Dit mag helemaal niet als er ook al geen sprake is van enig streven naar verwerving van draagvlak.
Ook is de ondersteuning voor diverse feitelijke voorspellingen nog onduidelijk:
- Sommige mensen in een grote menigte zullen, zonder enige waarschuwing of andere voorzieningen, gedwee de burgemeester volgen om onverhoeds te bemerken dat ze bij Duitse oorlogsgraven staan.
- Dit zal leiden tot verwarring en verdeeldheid onder deze mensen.
- Dit zal de burgemeester worden aangerekend want deze dient met de gevoelens van de burgers rekening te houden.
- Mensen zullen niet inzien - of begrijpen - dat iemand de begraafplaats als burgemeester betreedt en als ambteloos burger zal verlaten. 
3. Ten derde is interessant om de reacties op het artikel te bestuderen. Wat opvalt is hoeveel mensen de houding van de betrokken Joodse organisatie(s) laten meewegen in hun oordeel. Is dit echter wel zuiver? Ad-hominem-argumentatie? Had de rechter wel een gelijkluidende uitspraak mogen doen als verzoekers zich anders hadden opgesteld?

De Uitspraak: Mag de burgemeester worden verboden Duitse soldaten te herdenken op 4 mei?, NRC, 09-05-2012
De Uitspraak, Rechtspraak.nl, 04-05-2012

De gemiste vraag aan Marcel Wintels (CDA): wanneer is een politiek standpunt fundamenteel?

Via een argumentatiecursus die gegeven wordt aan de Indiana Universiteit (VS) (h/t professor John Lucaites) kwam ik terecht op een aantal inspirerende Amerikaanse waakhond-websites, namelijk FactCheck.org (te vergelijken met NRC Next Checkt), The Media Research Center en Nieman Watchdog. Doel van deze websites is om het publieke debat in algemene zin zo zuiver mogelijk te houden. Of ze hierin slagen heb ik verder niet uitgezocht, maar conceptueel sprak me hun insteek aan. Met name de benadering van laatstgenoemde - en hun streven naar het stellen van vragen waarvan zij vinden dat deze door de journalistiek eigenlijk gevraagd had moeten worden.- is interessant. Kritisch denken begint immers bij het stellen van de juiste vragen.

Ik moest direct denken aan een interview met kandidaat-lijsttrekker van het CDA Marcel Wintels dat ik onder ogen kreeg. In een interview in HP/De Tijd afgelopen week stelde hij dat het nieuwe / hervonden standpunt van Liesbeth Spies inzake het boerkaverbod van Spies geen goede zaak was voor de politiek en de geloofwaardigheid van het CDA en daarom beter kon opstappen.

De ad-hominem "U draait en bent oneerlijk"?
Nu lijkt het interview met Wintels één grote persoonlijke aanval (de ad-hominem). Neem alleen de titel al: Aan Spies en Buma kleeft het draaien en keren. Nu moeten we dit Wintels misschien niet eens verwijten. We gaan dit namelijk sowieso de komende maanden nog veel zien: politici die elkaar beschuldigen van gedraai. En de inhoud dus laten voor wat het is. Sinds Balkenende's U draait en bent oneerlijk (over Bos, juli 2008) is het een terugkerende manier om een tegenstander zwart neer te zetten in de hoop hiermee de ethos van de ander - zoals deze wordt gepercipieerd door de burger - te verzwakken.

Ook de benadering van Wintels lijkt op een ad-hominem. Immers, een politicus aanvallen op een standpunt dat zij heeft ingenomen als deelnemer van een regering lijkt te getuigen van een persoonlijke aanval. Wintels kan weten dat Spuis als minister iemand anders is als Spuis als CDA-aanhanger. De rollen verschillen. Gelijk iedere politicus weet dat regeren tevens het inleveren van idealen met zich mee brengt (terzijde, maar dat gaan we ook veel zien: politici die het inleveren van hun eigen visie onderkennen maar ons ervan willen overtuigen dat ze hierdoor wel verantwoordelijkheid hebben genomen).

Geen persoonlijke aanval?
De nuancering van Wintels is echter dat het voor hem het niet om het draaien zelf gaat maar om het draaien bij fundamentele zaken. Dit lijkt een redelijke visie:
Een politieke partij mag altijd punten van het partijprogramma inleveren indien er onderhandeld wordt voor regeringsdeelname. Uitgezonderd hiervan zijn echter de fundamentele zaken. Indien fundamentele zaken weg worden gegeven, gaat de vertegenwoordiger van de partij een brug te ver en mag hem/haar gedraai worden verweten.
Dus klaarblijkelijk gaat de discussie over wat fundamenteel is. Voor Winkels lijkt een nee tegen het boerka-verbod hiermee (impliciet) een fundamenteel, hoog te houden standpunt van het CDA. Voor Spies mogelijk niet.

De vraag die ik - dit wetende - graag door HP/De Tijd gesteld had zien worden aan Winkels is dan ook:
Welke onderwerpen beschouwt u zelf - naast een nee-tegen-het-boerka-verbod - als fundamenteel voor uw partij; wat sluit iedere regeringsdeelname per definitie uit?
Sterker: aan alle partijen zou deze vraag gesteld mogen worden. Hieraan vooraf gaat de kritische vraag wat een standpunt nu fundamenteel maakt. Het is een (te) vaag begrip. Een antwoord hierop voorkomt hopelijk toekomstige argumentum-ad-hominems. Dit gaat trouwens verder dan enkel het geven van standpunten.


CDA-kandidaat: ‘Aan Spies en Buma kleeft het draaien en keren’, HP/De Tijd, 02-05-2012

Het valse dilemma van Wilders

Komen er nieuwe verkiezingen? Als liefhebber van het politieke debat, of beter, als liefhebber-van-het-politieke-debat-als-bron-van-drogredenen kijk ik er naar uit. Omdat hij na het gestrande Catshuis-overleg het meest in het middelpunt stond, begin ik met Wilders die een mooi voorbeeld van een vals dilemma geeft (vanaf 07:53):
"Onze campagne zal gaan tegen Europa, tegen de drie procent, tegen de euro en voor een sterker Nederland, met een positief verhaal maar op een andere manier zonder dat het de burger raakt, althans niet in de mate dat nu dreigde te gebeuren, en meer in de overheid wordt gesneden. Daarvoor zijn we als PVV opgericht. En ik denk dat dat... ik zie met veel vertrouwen tegemoet ... de verkiezingen die komen."

Wilders legt ons niet expliciet een keuze voor maar in zijn retoriek (mooi) zit wel impliciet een keuze verscholen die niet juist is. Of je kiest voor (1) voor een partij die iets wil dat de burger niet raakt of je (2) kiest voor een partij die niet in de overheid wil snijden. De keuze is vals omdat de burger natuurlijk ook werkzaam kan zijn bij de overheid. Snijden in de overheid raakt hiermee ook de burger. In ieder geval qua banen (selecte groep burgers) en ook waarschijnlijk qua service (dit raakt alle burgers al is dit afhankelijk van hoe gesneden gaat worden; denk bijvoorbeeld aan openingstijden burgerzaken, politie op straat, zorg, et cetera).

De ervaring leert dat politici van andere partijen snel met hun drogredenen zullen volgen. Alvast een hint? Verhofstadt verwijt Wilders van hypocriet gedrag maar maakt hierbij zelf een denkfout.
Verkiezingen? Heerlijk!



Verhofstadt: Hypocriete Wilders net zo laks als Grieken, Elsevier, 22-04-2012

Minister Van Bijsterveldt: wet is wet, ook voor de wetgever.

Toen bestuurslid Marten Kircz van onderwijsbond Aob in januari zware kritiek leverde op minister Marja van Bijsterveldt van onderwijs - "niet het intellectuele niveau heeft om minister van Onderwijs te zijn" - waren de rapen gaar. Tweede Kamerleden reageerden geschokt en eisten excuses van Kircz. Nu werd nog ter ondersteuning van deze uitspraak nog verwezen naar het opleidingsniveau van de minister (Verpleegkunde-a) maar dit was voor sommige politici niet genoeg. Omdat opleidingsniveau en intelligentie natuurlijk niet gelijk zijn aan elkaar is dit niet onterecht.

Nu kwam de minister vandaag in het nieuws in verband met het conflict tussen de gemeente Amsterdam en minister Kamp. De Trouw opende vandaag met het bericht dat Amsterdam illegale jongeren een stageplek wil gaan aanbieden en daarmee bewust in botsing lijkt te komen met minister Kamp van Sociale zaken en werkgelegenheid. Minister Kamp had juist gesteld dat het verboden is om jongeren zonder verblijfsvergunning stage te laten lopen; onderwijsinstellingen en werkgevers die daaraan meewerken kunnen een boete krijgen van (om te beginnen) 8000 euro.

Het probleem: de CDA-minister Van Bijsterveldt verkondigde - gelijk aan een meerderheid in de Tweede Kamer inclusief de CDA-fractie - in 2010 een ander geluid (zie uitzending NOS).

O.a. via BNR is echter te horen hoe de minister deze draai tot "stage = werk" verdedigde:
"[...] De wet geeft aan dat stages arbeid is dat betekent dat voor illegale jongeren stages niet mogelijk is volgens de wet. [...] Als minister van onderwijs heb ik ook te maken met de wet. De wet is klip en klaar. Stages is arbeid. En dat betekent dat daar ook de grens ligt. [...] Scholen, werkgevers en iedereen in Nederland moet zich houden aan de wet. Dat geldt voor het kabinet en dat geldt voor mensen in het land."
Een legalistische drogreden in het kwadraat? Wat de wet stelt hoeft moreel gezien immers niet juist te zijn. Maar het overtuigt nog minder als je verwijst naar de wet als je zelf wetgever bent.

Terzijde en enigszins inconsistent, maar dat ons kabinet dit toch wel inziet, bleek vandaag. Aangaande de amnestiewet in Suriname geldt volgens het kabinet immers dat deze democratisch gekozen wet niet per definitie de juiste wet is. Maar waarom wordt dit argument wel gebruikt als het een illegale jongere betreft die een stage gaat lopen?

CV Minister Van Bijsterveldt, Rijksoverheid
Amsterdam wijkt niet voor Kamp, Trouw, 05-04-2012
Reactie minister Van Bijsterveldt, BNR, 05-04-2012





PS. Voor de juristen onder ons een breinbreker: als een stage door de overheid als werk wordt gekwalificeerd, hebben stagiaires dan ook recht op het minimumloon?

Drogreden van de dag: de argumentum ad legis van Stichting Brein

De legalistische drogreden (argumentum ad legis, soms de verwijzing-naar-recht-drogreden) is de denkfout die gemaakt wordt als wordt gesteld dat een handeling ethisch niet juist is omdat met de handeling de wet wordt overtreden. Of het recht in het algemeen. Het is een vorm van een autoriteitsdrogreden waarbij de autoriteit de wet is.

Waarom zou het een denkfout zijn? Omdat het recht ook niet-ethisch kan zijn. Denk aan de Apartheidswetten in Zuid-Afrika in de jaren ‟80/‟90 van de vorige eeuw. Of - altijd oppassen met het voorbeeld - het recht tijdens WOII. Daarnaast is het recht natuurlijk nooit statisch. Ook dit kan een legalistische drogreden opleveren. Vandaag zien we hiervan een mooi voorbeeld:

Nu.nl bericht dat UPC en T-Mobile besloten hebben om The Pirate Bay niet te blokkeren. Ze voldoen hiermee niet aan een verzoek van de Stichting Brein. De stichting zou graag zien dat de providers de site zouden blokkeren gezien de uitspraak van de Haagse rechtbank eerder deze maand.

Stichting Brein liet vervolgens aan NU.nl weten dat zij de standpunten van UPC en T-Mobile zowel juridisch als ethisch onjuist te vinden. Waarom zou dit ethisch onjuist zijn?
"Ze werken bewust mee aan het in stand houden van een veroordeelde website", aldus directeur Tim Kuik, volgens Nu.nl.
Dit lijkt een argumentum ad legis. Het feit dat de rechtbank t.a.v. twee andere providers een bepaalde uitspraak heeft gedaan maakt nog niet dat het daarom per definitie ethisch niet juist zou zijn als andere providers de uitspraak naast zich neer leggen. Daarnaast is The Pirate Bay niet veroordeeld. Daarbij speelt - los van de vraag of daadwerkelijk sprake is van gelijke gevallen - ook nog dat hoger beroep is aangetekend. Het niet-opvolgen van een rechterlijke uitspraak, die andere organisaties betreft en die nog in procedure is, is niet direct als "ethisch onjuist" te kwalificeren.

De legalistische drogreden / verwijzen naar het recht-drogreden / argumentum ad legis:
- A is ethisch juist omdat er geen regeling is die het verbiedt
- A is ethisch niet juist omdat het verboden is in recht/wet


Ook T-Mobile blokkeert The Pirate Bay niet, Nu.nl, 27-01-2012

Column De Stentor: 'Weg met de advocaten'? Voorlopig maar niet.

In De Stentor een interessante bespiegeling van Rob Krabben met als stelling "Weg met de advocaten". Interessant omdat het vol drogredenen lijkt te staan.

Een snelle scan levert op:
1. Een beroep op traditie / beroep op autoriteit (argumentum ad verecundiam)
Het deel over de vader ...

2. Veralgemeniseren
Enkel twee gevallen worden aangedragen?

3. Een argumentum ad ignorantiam
Ik ken geen bewijs dat advocaten fatsoenlijk zijn, dus zijn ze ...

4. Onnodige sophistry
De verwijzing naar het gezond verstand ...

5. Een ad-hominem : verdacht maken van de motieven
Omdat je er geld mee kunt verdienen is het per definitie onfatsoenlijk?

6. Een non sequitur
Producenten die op de derde plaats of lager zijn gekomen bij aanbestedingsopdrachten gaan onnodig procederen, dus de advocaten gaan onnodig procederen?

De rechtszaak waarop het betoog grotendeels leunt, dateert trouwens uit 2007. Conclusie: weinig deugdelijk.

Dus ter inspiratie:

Weg met de advocaten, De Stentor, 18-01-2011

Actieve opstelling kantonrechter verplicht bij schending "equality of arms"?

In een brief aan de Eerste Kamer stelde minister Opstelten begin december dat een actieve aanpak van de kantonrechter ter zitting en het “helpen” van een partij die zich niet bedient van een professionele rechtshulpverlener niet in strijd is met de beginselen van lijdelijkheid en partij-autonomie. Laten we de argumenten waarop dit standpunt steunt eens kritisch bestuderen.

Het eerste argument dat de minister aandraagt, is procesmatig. Een groep van zestien rechters, "alle lid van de Kring van kantonrechters of het Landelijk sectoroverleg civiel en kanton, en zonder uitzondering ook nog eens ruim ervaren in de kantonrechtspraak en ook overigens in het rechtersvak", onderschreven de stelling dat er wel schending is niet. Dit argument overtuigt natuurlijk nog niet. De stelling is theoretisch, meer fundamenteel van aard – het gaat om de inhoud van beginselen. Waarom zou het hebben van proceservaring relevant zijn?

Niettemin is het nog geen autoriteitsdrogreden. Het benadrukken van de bijdrage van de groep rechters toont enkel aan dat twee discussies door elkaar heen lijken te lopen:
Stelling 1 (zoals gesteld door de minister). “De actieve aanpak van de kantonrechter ter zitting en het “helpen” van een partij die zich niet bedient van een professionele rechtshulpverlener is in strijd is met de beginselen van lijdelijkheid en partij-autonomie en verdient daarom geen navolging
en
Stelling 2 (zoals lijkt te zijn gevraagd door het lid Quik-Schuijt?). “De actieve aanpak van de kantonrechter ter zitting en het “helpen” van een partij die zich niet bedient van een professionele rechtshulpverlener staat een goed functioneren van de kantonrechtspraak in de weg.
Wat wordt dus precies met “goed” bedoeld? Het begrip is ambigu. Wordt bedoeld “goed in de zin dat het functioneert” of “goed in de zin dat het in overeenstemming is met beginselen”.

Laten we echter de insteek of het functioneert rusten (want hoe meet je dit? bijvoorbeeld in termen van tevredenheid van rechters of van procespartijen?) en ons richten op de fundamentele vraag die opgesloten ligt in de stelling van de minister: schendt een kantonrechter (dus) de beginselen van lijdelijkheid en partij-autonomie als de rechter een actieve aanpak ter zitting heeft en een partij helpt indien deze zich niet bedient van een professionele rechtshulpverlener? Voor het gemak neem ik ook de twee beginselen even samen al zijn hier wel vraagtekens bij te zetten. Want waarom zou een schending van het beginsel van lijdelijkheid direct een schending van het beginsel van partij-autonomie met zich mee brengen? De informed-consent discussie in het medisch-ethische domein toont bijvoorbeeld goed de meer complexe relatie tussen de twee beginselen. Maar dit terzijde (in andere zin: Snijders e.a., 2007, blz. 46; ook over wat een actieve houding precies is en over welk deel van het proces we dan spreken, vraagt eigenlijk om meer nuance).

Terug naar de argumenten. Een tweede argument waarom een actieve houding van de kantonrechter geen schending is van het beginsel van lijdelijkheid/partij-autonomie is een juridisch argument: (citaat brief) “de wettelijke procesregels beperken geenszins de mogelijkheid tot een actieve aanpak van de rechter.” Dit argument mag nog niet overtuigen. Het is de vraag of bepaalde beginselen geschonden worden niet of wettelijke procesregels een actieve houding in de weg staan (regels die juist hun grondslag deels vinden in de diverse procesbeginselen). Dit argument draait de relatie tussen rechtsbeginselen en de hieraan verwante regels te veel om.

Een derde argument is dat er met de actieve opstelling van de kantonrechter “equality of arms” wordt bereikt. Het beginsel van gelijkheid van processuele middelen – de processuele positie van de ene partij mag niet minder zijn dan die van de andere (Rueb, 2009, blz. 27) kan worden afgeleid uit artikel 6 EVRM. Het argument van de minister is dus dat het beginsel “equality of arms” voorrang geniet boven het beginsel van lijdelijkheid. Dit lijkt steekhoudend en is ook niet vreemd aangezien het beginsel van lijdelijkheid niet bestreken wordt door het EVRM (Hendrikse en Jongbloed, 2008, blz. 554) al is het beginsel van “equality of arms” nochtans ook niet direct in strijd is met het EVRM (Smits, 2008, blz. 299)). Maar terecht lijkt gezegd te kunnen worden dat de lijdelijkheid van de rechter en procesautonomie van partijen niet meer als hoofdbeginselen worden beschouwd (zo ook Meijknecht, 2005, blz. 63) en daarom bij het afwegen tussen beginselen "op achterstand staan".

De vraag is echter of de stelling die de minister liet onderzoeken de juiste was. Het gaat er mogelijk niet zozeer om of een kantonrechter met een actieve houding de beginselen van lijdelijkheid en partij-autonomie schendt maar eerder of van kantonrechters niet altijd een actieve houding kan worden verwacht indien zij een ongelijkheid in processuele positie constateren. Deze vraag lijkt nog niet te worden beantwoord.

De minister:
Ik kan op basis van dit overleg niet anders dan concluderen dat de rechtspraktijk, en dan in het bijzonder de kantonrechtspraak, goed uit de voeten kan met de grenzen voor de rechter in civielrechtelijke zaken, zoals procesrechtelijk verankerd in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Maar geldt ook?
Ik kan op basis van dit overleg niet anders dan concluderen dat de rechtspraktijk, en dan in het bijzonder de kantonrechtspraak, goed en gelijkwaardig omgaat met de grenzen voor de rechter in civielrechtelijke zaken, zoals procesrechtelijk verankerd in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

In prescriptieve vorm: behoort een kantonrechter bij een mogelijke schending van equality of arms (door afwezigheid van procesvertegenwoordiging) te allen tijde - dus per definitie - zich actief op te stellen?

LinksKantonrechters actiever zonder advocaat, Scherpinarbeidsrecht.nl, 13-12-2011
Kamerstuk: (vermeende) lijdelijkheid van de rechter , Rijksoverheid: Ministerie Veiligheid en Justitie, 02-12-2011

Literatuur
Hendrikse, M.L. en Jongbloed A.W., Burgerlijk procesrecht praktisch belicht, Kluwer, 2008
Meijknecht, P.A.M., Infrastructuur en hoofdbeginselen van burgerlijk procesrecht, Kluwer, 2005
Rueb, A.S., Compendium van het Burgerlijk procesrecht, Kluwer, 2009
Smits, P., Artikel 6 EVRM en de civiele procedure, Kluwer, 2008
Snijders, H.J., C.J.M. Klaassen en G.J. Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, Kluwer, 2007

Kroes en het foutieve gebruik van de jij-bak. Onbedoeld zelf een mooi voorbeeld?

Een klein uitstapje maar vandaag stelde Eurocommissaris Neelie Kroes dat de opstelling van de Europese Commissie niet heeft bijgedragen aan de val van het Fortis-concern. Dit verwijt had de Europese Commissie gekregen van de voormalig vicevoorzitter van Fortis, Jan-Michiel Hessels, tijdens zijn verhoor bij de parlementaire enquêtecommissie.

Kroes noemde deze kritiek van Hessels bij haar verhoor ''een jij-bak''. Ze maakte duidelijk dat Hessels zelf sinds 2001 betrokken was bij Fortis en dus eerst naar zichzelf zou moeten kijken. Hij heeft immers zelf actief bijgedragen aan wat er met Fortis is gebeurd. Kroes: De Europese Commissie wordt ten onterechte de schuld gegeven.

Een mooier voorbeeld van een jij-bak (de argumentum ad hominem, de tu quoque-variant) had Kroes niet kunnen geven. Kritiek van een ander - in dit geval van Hessels - wordt gepareerd door te wijzen op het gedrag van de persoon zelf (Hessels). Kroes hanteert de drogreden dus helaas niet correct. De onjuiste veronderstelling - in dit geval bij Kroes - is dat de eigen verantwoordelijkheid van Hessels nog niet maakt dat hij niet kritisch naar het optreden van de Europese Commissie had mogen kijken. Iemand anders iets verwijten terwijl je zelf ook verantwoordelijk bent (hetgeen Hessels deed), is geen jij-bak. Mogelijk enkel het ontduiken van verantwoordelijkheid maar dit is aan de commissie om uit te zoeken.

Van de jij-bak is enkel sprake als je de persoon die kritiek geeft van gelijk (onjuist) gedrag beticht.

Kroes: Ik heb geen enkele schuld aan val Fortis, De Volkskrant, 07-12-2011