Twitter Facebook RSS Feed Email
Posts tonen met het label In theorie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label In theorie. Alle posts tonen

10 kritische vragen betoog

In het eBook "De kunst van vragen stellen in de beroepspraktijk; informatievaardigheden voor de 21e eeuw" komen tien basisvragen aan de orde waarmee je een positief-kritische houding kunt laten zien. Het zijn dé tien kritische vragen die je aan een beroepsbeoefenaar moet stellen om vast te stellen of diens oordeelsvorming goed is / was. En die een professional zelf natuurlijk ook kan stellen.

1. Wat is precies het standpunt dat de ander inneemt?
  • (aandachtspunt) Moet je nog overtuigd worden van het standpunt of beweert de professional iets waar je het wel mee eens bent maar waarvan de verklaring onduidelijk is? 
  • (aandachtspunt) Van welk soort betoog is sprake (politiek, juridisch, moreel, financieel, …)?
2. Welke redenen worden aangedragen voor het standpunt?
  • (of andersom) Welke informatie kun je wegstrepen omdat deze niet relevant is voor het betoog?
3. Hoe moet je het standpunt en argumentatie precies samen lezen?
  • (aandachtspunt) Wat wordt verzwegen gezien het standpunt en de redenen? Denk met name aan algemene uitspraken als normen, vooronderstellingen, e.d.
 4. Wat wordt er allemaal beweerd?
  • (aandachtspunt) Per bewering: is het een concreet feit, een intersubjectief oordeel of een subjectief oordeel? Of is het een algemene uitspraak?
5. Per bewering: wat bedoelt de ander precies?
  • Welke vage begrippen vragen om toelichting?
  • Welke begrippen / zinsdelen zijn ambigu?
6. Per bewering: klopt het wat de ander stelt?
  • Zijn de concrete feiten waar, de intersubjectieve oordelen juist en/of de subjectieve oordelen waarachtig? Kun je de algemene uitspraken omarmen? 
  • Met andere woorden: is er bewijs voor wat gesteld is en wat voor soort bewijs is dit?
7. Per redenering: is de reden wel relevant?

8. Is het betoog / de redenering toereikend?
  • Zijn de deductieve redeneringen geldig? 
  • Zijn de inductieve redeneringen betrouwbaar?
  • (aandachtspunt) Wordt in het betoog rekening gehouden met tegenargumentatie?
  • (aandachtspunt) Zou extra informatie de redenering zwakker kunnen maken?
  • (aandachtspunt) Met welke informatie zou je een nog betere afweging kunnen maken? (meer … )
9. Per reden: is sprake van een mogelijke drogreden? 

10. Algemeen: kunnen bepaalde cognitieve valkuilen een goede oordeelsvorming in de weg staan / hebben gestaan?

Verbindende uitspraak (uitleg en voorbeelden)

Met alleen het geven van één bewering (naast soms een argumentatieve indicator) is een argument nog niet af. Stel je leidinggevende zegt: "Je wordt ontslagen want je hebt aanwijsbaar meerdere keren je werk niet goed verricht." dan zal dit je waarschijnlijk nog niet direct overtuigen. Los van allerlei vragen die je kunt hebben over wat wordt beweerd (hoezo heb ik meerdere keren mijn werk niet goed verricht, wat is precies meerdere keren, wat is het bewijs hiervoor, ik weet van niets, et cetera) is deze redenering nog niet volledig. Want waarom zou meerdere keren aanwijsbaar je werk niet goed verrichten nu direct moeten leiden tot ontslag? Wat de leidinggevende niet noemt maar wel impliceert, is dat je klaarblijkelijk ontslagen kunt en moet worden als je meerdere keren je werk niet goed hebt verricht. Deze algemene norm sprak hij echter niet uit (dat in een redenering niet alles wordt uitgesproken komt trouwens vaker voor; hierover kun je hier meer lezen).

Een volledig argument bestaat uit minstens twee premissen waarbij er minstens één algemene uitspraak is die zorgt voor een verbinding - een relatie legt - tussen standpunt en datgene wat verder nog wordt beweerd [1]. Deze algemene uitspraak wordt in de argumentatietheorie ook wel de verbindende uitspraak genoemd [2]. In de praktijk betreffen dit vaak de eerder genoemde beweringen die algemene uitspraken, algemene beginselen, normen, regels of als-dan-uitspraken uitdrukken [3].
 
Snel een voorbeeld. Iemand neemt het volgende standpunt in “Het bekijken van deze video was waardeloos omdat het wel tien keer werd onderbroken door reclame”. De feitelijke, specifieke bewering in het argument is: “Deze video werd wel tien keer onderbroken door reclame”. Dit hoeft echter nog niet iedereen te overtuigen van het standpunt dat daarmee het bekijken van de video waardeloos was. Hiervoor is nog iets anders nodig: iets dat een relatie legt tussen standpunt (“Het bekijken van deze video was waardeloos”) en de concrete feitelijke bewering (“Deze video werd wel tien keer onderbroken door reclame”). Dit is de verbindende uitspraak waarop de betreffende persoon bevraagd kan worden. In dit geval kan dit bijvoorbeeld de norm zijn: “Als een video vaker dan 9 keer wordt onderbroken door reclame dan is het waardeloos om naar te kijken”. Deze norm rechtvaardigt – voor de persoon in kwestie althans – de conclusie. Meer algemeen heeft de persoon in kwestie dan de overtuiging dat goede programma’s niet te vaak moeten worden onderbroken.

Nu is dit een vrij subjectieve norm. Niet iedereen zal het namelijk waardeloos vinden om naar een video te kijken die veel reclame-onderbrekingen kent. Om die reden zie je vaak dat mensen bij het argumenteren met hun overtuigingen proberen aan te sluiten bij een overtuiging die in de samenleving breed gedeeld wordt. Dit zal namelijk eerder de ander doen overtuigen. Bij morele oordelen zijn dit bijvoorbeeld algemene ethische principes als “Je behoort niet te liegen” of “Je behoort vertrouwelijk met de gegevens van een cliënt om te gaan”. Bij juridische oordelen zal de rechtvaardiging altijd een rechtsregel zijn; bijvoorbeeld de privaatrechtelijke rechtsregel dat een overeenkomst nagekomen moet worden [3].
 
Voorbeeld 1
Als iemand in een sollicitatiecommissie het oordeel uitspreekt: “Mevr. Pietersen moet voorrang krijgen bij deze sollicitatie want zij is een vrouw” dan worden er eigenlijk twee zaken beweerd in het argument:
 
- (expliciet) een feit: Mevr. Pietersen is een vrouw, en
- (impliciet) een norm als verbindende uitspraak: Vrouwen moeten een voorkeursbehandeling krijgen bij de sollicitatie.
 
De verbindende norm tussen standpunt en bewering is zoals je ziet niet direct uitgesproken maar wordt verondersteld. Hierop kan de persoon bevraagd worden. In ieder geval gaat het argument gezien het standpunt niet op zonder een dergelijke regel. Deze norm, de verbindende uitspraak hier, is impliciet gesteld.
 
Voorbeeld 2
Stel een rechter spreekt het oordeel uit dat Jansen verplicht is de schade die Pietersen lijdt te vergoeden omdat sprake is van wanprestatie van Jansen dan worden er twee zaken beweerd in het argument:
- (expliciet) een concreet oordeel: Er is sprake van wanprestatie door Jansen (voor juristen in opleiding: zijnde een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis die de schuldenaar niet kan worden toegerekend), en
- (impliciet) een norm als verbindende uitspraak: Bij wanprestatie is de schuldenaar verplicht de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden.

 
In de praktijk zie je vaak dat de verbindende uitspraak niet door iemand wordt uitgesproken maar enkel wordt geïmpliceerd. Het wordt verzwegen. Ook in bovenstaande voorbeelden zie je dit terug. Hierop kun je een ander bevragen. Dus stel je leidinggevende zegt: "Je wordt ontslagen want je hebt aanwijsbaar meerdere keren je werk niet goed verricht." dan kun je naast de eerder genoemde vragen ook de vraag stellen: "Hoezo zou ik (direct) ontslagen moeten en kunnen worden als ik aanwijsbaar meerdere keren mijn werk niet goed hebt verricht?" Ik zal op het bevragen van wat verzwegen is in argumentatie later terugkomen.

Trouwens let op: soms wordt de algemene verbindende uitspraak wel expliciet gegeven in het argument en de specifieke beweringen niet. 

Voorbeeld 3
Docent: "Je krijgt geen toegang tot het college want als je toegang wilt krijgen tot het college dan moet je op tijd komen."
 
Standpunt: Je krijgt geen toegang tot het college.
Argument: Want als je toegang wilt krijgen tot het college dan moet je op tijd komen.
Argumentatieve indicator: Want.
Premisse, een algemene uitspraak (expliciet): Als je toegang wilt krijgen tot het college dan moet je op tijd komen.

Concreet feit dat verzwegen is: Je bent nu niet op tijd.

In dit geval zou de student de vraag kunnen stellen op basis waarvan de docent concludeert - maar niet noemt - dat de student te laat was (naast andere vragen).

__________

[1]
Deze insteek heeft als uitgangspunt het argumentatiemodel van Toulmin al is een gelijke benadering ook bij andere filosofen te zien (bijvoorbeeld in de Retorica van Aristoteles). Het model is een goed model om de eerste stappen te zetten in argumentatietheorie en toepassing. Voor complexe zaken, zo wordt door sommige auteurs betoogd, is het model minder geschikt. Zie bijvoorbeeld: Feteris, E.T., Fundamentals of legal argumentation: a survey of theories on the justification of judicial decisions, Springer, 1999, bladzijde 46 en Willard, Ch.A., On the utility of descriptive diagrams for the analysis and criticism of arguments, in: Communication Monographs, 1976, Volume 43, bladzijde 319 e.v. 

[2]
Een eenduidige Nederlandse vertaling voor warrant bestaat niet. Zie voor ‘verbindende uitspraak’ bijvoorbeeld Schaaijk, G.A.F.M. van, Praktijkgericht juridisch onderzoek, Boom Juridische Uitgevers, 2011, bladzijde 199.

[3]
Deze rol van de rechtvaardigende, verbindende uitspraak kent gelijkenis met die van het begrip “het waardevolle / het verkieslijke” in de theorie van Perelman en Olbrechts-Tyteca. Mede vanuit historisch perspectief is het model van Perelman – naast het model van Toulmin dat meer centraal staat in dit hoofdstuk – een belangrijk model. Het waardevolle (waarden, waardehiërarchieën en loci/gemeenplaatsen) zorgt voor rechtvaardiging van het standpunt, namelijk via de erkenning van het waardevolle door de toehoorders. Het later uitgelegde onderscheid tussen rechtvaardiging en ondersteuning zoals bij Toulmin terugkomt, is hier niet aanwezig (een locus kan bijvoorbeeld weer de basis zijn voor een waardehiërarchie). Het voorop stellen van (ook) de doelgroep bij argumentatie toont het retorische karakter van de theorie van Perelman en Olbrechts-Tyteca. Het hoofdwerk betreft: Perelman, C. en Olbrechts-Tyteca, L., The new rhetoric. A treatise on argumentation (La nouvelle rhétorique), Notre Dame Press, 1969.

Premisse (uitleg - voorbeeld)

Als je eenmaal, al dan niet geholpen door de eventuele argumentatieve indicatoren, weet wat het argument is, zul je zien dat in een argument allerlei beweringen gedaan worden die wel of niet houdbaar zijn en kunt bevragen. 

Deze beweringen vormen hiermee een belangrijk hoofdbestandsdeel van een argument. Deze beweringen in een argument worden binnen de argumentatietheorie formeel premisse genoemd. In de beroepspraktijk zul je het begrip 'premisse' echter niet vaak horen [1]. Trek hieruit niet de conclusie dat deze beweringen niet belangrijk zijn. Juist de beweringen die door een professional in een argument worden aangedragen, moet je bevragen op houdbaarheid (later zal ik hier in detail op terugkomen).

premisse (uitleg - voorbeeld)

In de praktijk zal iemand vaak beschrijvingen van feiten (vanaf nu: feiten) of oordelen aandragen om een standpunt te onderbouwen. Een aantal voorbeelden om dit te verduidelijken.

Voorbeeld 1 Aandragen van feiten
Stel een patiënt spreekt bij de huisarts het volgende uit: "Ik wil graag een herhaalrecept want mijn medicijnen zijn op."

Het argument is: Want mijn medicijnen zijn op.
De argumentatieve indicator is: Want.
De premisse, in dit geval een feitelijke bewering, is: Mijn medicijnen zijn op. 
De vraag is natuurlijk of deze feitelijke bewering klopt (naast de vraag of dit een herhaalrecept rechtvaardigt)

Voorbeeld 2 Aandragen van een ander oordeel
Neem de (juridische) redenering van een leidinggevende: "Je wordt ontslagen op grond van een dringende reden, want je hebt aanwijsbaar meerdere keren je werk niet goed verricht."

Het argument is: Want je hebt aanwijsbaar meerdere keren je werk niet goed verricht.
De argumentatieve indicator is: Want.
De premisse, in dit geval een oordeel, is: Je hebt aanwijsbaar meerdere keren je werk niet goed verricht.
De vraag is natuurlijk wat hiermee wordt bedoeld en of dit wel (aanwijsbaar) klopt.

Voorbeeld 3 Aandragen van een ander oordeel
Laten we teruggaan naar het voorbeeldbetoog van de jongens aan de deur (zie hier onder voorbeeld 2). De argumentatieve indicatoren waren niet duidelijk gegeven. Dit is natuurlijk al snel het geval bij mondelinge pogingen om een ander te overtuigen. Een van de argumenten was echter: “Want onze provider heeft de goedkoopste abonnementen die er zijn.” Hierin zit één premisse (een oordeel): 'Onze provider heeft de goedkoopste abonnementen die er zijn'. In de argumentatie vind je bijvoorbeeld ook een juridische bewering (een oordeel) dat het aanbod vrijblijvend is. Of het oordeel dat hun provider de goedkoopste is.

Een oordeel in een argument kan trouwens ook meer algemeen van aard zijn, bijvoorbeeld als het een algemene uitspraak over zaken/mensen ("alle mensen zijn onbetrouwbaar"), algemeen beginsel ("Alles wat ik als hulpverlener zal zien of horen, ook van het privé-leven van de patiënten zal ik voor mij houden"), norm / regel ("Iemand die enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort wegneemt, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen is schuldig aan diefstal") of een als-dan-uitspraak ("Als je te laat komt, mag je niet meer de collegezaal in") uitdrukt [2].

Voorbeeld 4 Norm
Docent: "Je krijgt geen toegang tot het college want studenten behoren op tijd te komen."
 
Standpunt: Je krijgt geen toegang tot het college.
Argument: Want studenten behoren op tijd te komen.
Argumentatieve indicator: Want.
Premisse (een norm): Studenten behoren op tijd te komen.

In de volgende bijdrage ga je lezen dat deze algemene uitspraken niet onbelangrijk zijn. Ze spelen een belangrijke rol bij het volledig maken van een argument.
__________

[1]
Gelijk aan het begrip 'propositie' (zie hier). Een uitzondering hierop vormt literatuur uit de informatica / informatiekunde. Sterker, als het woord 'premisse' in de praktijk gebruikt wordt, dan is dit eerder in de zin van “vooronderstelling / aanname”. Dit is echter niet hetzelfde. 

[2]
Ook dergelijke algemene uitspraken kunnen volgens de meeste argumentatietheoretici worden gezien als een premisse. Zie bijvoorbeeld Sinnott-Armstrong, W. en R.J. Fogelin, Understanding arguments: an introduction to informal logic, Cengage Learning, 2010, bladzijde 96 e.v. Bij dergelijke uitspraken kun je namelijk stellen dat iemand dit vindt ("Studenten behoren op tijd te komen" staat voor "Ik vind dat studenten op tijd behoren te komen"). Dit is wel een definitiekwestie waarover discussie bestaat. Of een rechtsnorm bijvoorbeeld ook een bewering is, wordt vanuit rechtsfilosofisch perspectief soms bestreden. Van een rechtsnorm kan in de praktijk echter prima worden vastgesteld of deze klopt; namelijk of deze conform de vindplaats en achterliggende uitleg is. Dit zie je in de praktijk terug als iemand “beweert dat iets de juridische norm is”. Gezien de insteek van dit boek wordt om die reden ook dergelijke uitspraken als beweringen gezien.

De invloed van onze behoeften, interesses en angsten op onze oordeelsvorming

Een andere voor een beroepsbeoefenaar onwenselijke cognitieve valkuil is de menselijke neiging om ons in onze kennisverwerving, -verwerking en -uiting te laten beïnvloeden door onze behoeften, interesses en/of onze angsten. Deze neiging is sterk gerelateerd aan onze neiging tot tunnelvisie: de neiging ons te laten beïnvloeden door overtuigingen n.a.v. eerdere ervaringen, eerdere beslissingen, levensopvattingen en/of professionele idealen. Je ziet hier hetzelfde mechanisme aan het werk: we laten ons in onze oordeelsvorming onbewust door iets leiden.

De onbewuste beïnvloeding door onze behoeften, interesses en angsten heeft echter wel een ander karakter. Bij deze cognitieve valkuil gaat het om een gerichtheid die minder te maken heeft met bepaalde overtuigingen maar eerder te relateren is aan hoe we zijn als mens: naast iemand met overtuigingen ook wezens met fysiologische, soms korte-termijn / onmiddelijke behoeften, interesses en angsten. Deze behoeften, interesses en angsten sturen onze gerichtheid. Of als je de houdbaarheid van kennis van de ander bevraagt: kan de ander onbewust beïnvloed hebben.
 
Voorbeeld 1
Misschien herken je het wel: als je een nieuwe telefoon wilt kopen dan ben je ineens veel gerichter op de telefoontjes die anderen hebben. Als je een bepaald model auto wilt kopen, zie je het model vaker rijden. Je gaat er (on)bewust meer op letten.
 
Voorbeeld 2
Bij overvallen weten slachtoffers zich vaak niet te herinneren hoe de dader eruit zag. Dit lijkt merkwaardig maar valt te verklaren. Het slachtoffer is meer gericht op het wapen dat gebruikt wordt. Het slachtoffer heeft namelijk een direct belang hieraan te ontkomen en te overleven [1]. Als een slachtoffer aangeeft de dader niet meer te herinneren, mag je dus niet concluderen dat het slachtoffer dan waarschijnlijk niet aanwezig was. Net zoals maar weinig mensen zich het kenteken kunnen herinneren van de auto waarmee ze (bijna) een aanrijding hadden.

Voorbeeld 3
Mensen die een grote angst hebben voor spinnen, reptielen e.d. merken deze dieren eerder op dan mensen die deze angsten niet hebben [2]. In de zorg zullen artsen of verpleegkundigen die een interesse hebben voor een bepaalde ziekte of kwetsuur deze ook eerder signaleren. Helemaal nu deze interesse vaak samengaat met extra kennis hierin.

__________

[1]
Loftus, E.F. en G.R. Loftus en J. Messo, Some facts about “weapon focus, in: Law and Human Behavior, 1987, Vol. 11 (1), bladzijde 55 e.v. en Kassin, S.M., V.A. Tubb, e.a., On the "General Acceptance" of Eyewitness Testimony Research: A New Survey of the Experts, in: American Psychologist, 2001, Vol. 56 (5), bladzijde 405 e.v.

[2]
Mogg, K. en Bradley, B.P., A cognitive-motivational analysis of anxiety, in: Behaviour Research and Therapy, 1998, Vol. 36, bladzijde 809 e.v.

Argument (definitie en uitleg)

Het onderbouwen van een standpunt in een oordeel gebeurt met argumenten. Een argument wordt in het dagelijks taalgebruik soms ook wel een reden  of een grond genoemd. Je hebt echter eerder kunnen lezen dat tussen redeneren en argumenteren wel een verschil zit. In dit boek zal ik deze begrippen - conform de praktijk - door elkaar gebruiken.
 
Voorbeeld
Een werknemer kan een reden geven om zijn baas ervan te overtuigen dat er flexibele werktijden ingevoerd zouden moeten worden. De persoon geeft dan volgens de meeste mensen een argument. Een werknemer kan daarnaast de reden geven waarom hij te laat kwam voor een vergadering ("Mijn horloge was kapot"). Deze reden zullen veel mensen niet als argument kwalificeren. De werknemer geeft enkel een verklaring voor iets: namelijk waarom hij te laat kwam. Of dit een geldige reden is om te laat te komen, is weer een andere discussie. Als dit ter discussie staat - bijvoorbeeld tussen de werknemer en zijn baas - wordt het kapotte horloge een argument.

Een argument is een uitspraak die iemand aanvoert om een ingenomen standpunt te rechtvaardigen of te verantwoorden. De argumenten moeten aantonen waarom het ingenomen standpunt houdbaar is. Een standpunt steunt namelijk op de argumenten die worden gegeven. De argumenten maken het standpunt meer of minder houdbaar. Een professional die voor een standpunt geen argumenten aangedragen ziet worden, zal hier vragen bij kunnen stellen.

Argument (uitleg en begrip)

Nadat je hebt afgevraagd wat precies het standpunt is van de ander is de tweede vraag dan ook wat de argumenten zijn die iemand aandraagt. Of beter verwoord: welke redenen de ander aandraagt. Of je deze vraag ook expliciet moet stellen is natuurlijk afhankelijk van wat precies gezegd wordt. Indien iemand enkel een standpunt geeft ("Belachelijk dat we overgaan op een nieuwe administratief systeem") dan moet je de argumentatie expliciet vragen. Vaak spreekt iemand echter wel de argumentatie uit. Al dan niet volledig zo zal later blijken.


De tweede kritische vraag:
Welke redenen worden aangedragen voor het standpunt?


Voorbeeld
Werknemer: "Het is tijd voor mij om naar huis te gaan want ik heb vanavond nog een vergadering."

Je ziet:
- een standpunt: Het is tijd om naar huis te gaan.
- een argument: Want ik moet vanavond naar de school van mijn kind

In de volgende bijdrage zal ik uitleggen hoe een standpunt en argument vaak met elkaar verbonden zijn: via de argumentatieve indicator. Dit kan je helpen bij het opsporen van de argumenten.

Het innemen van een standpunt in de praktijk

Een belangrijk startpunt bij het bevragen van oordelen in de beroepspraktijk is het standpunt dat een ander inneemt. De eerste vraag die je dan ook ten aanzien van iemands oordeelsvorming moet stellen, is wat precies het standpunt is dat iemand inneemt. Het resultaat van oordeelsvorming is namelijk het standpunt dat iemand zich heeft gevormd.
 
Standpunt (uitleg en voorbeelden)

Het standpunt is in de praktijk de mening, opvatting of zienswijze die iemand ergens over heeft: iemand beweert dat iets het geval is of zou moeten zijn. In plaats van standpunt wordt in het dagelijks taalgebruik ook wel gesproken van de conclusie, oordeel, claim of beslissing waartoe iemand is gekomen. Een voorbeeld van een standpunt is: “Ik vind dat Jan M. de doodstraf had verdiend” maar ook “Ik vind dat Nederland de Euro moet behouden”.

Afhankelijk van wat iemand precies beweert - en het werkveld - zie je vervolgens verschillende soorten standpunten. Deze soorten zijn natuurlijk direct gerelateerd aan de verschillende soorten oordeelsvorming. De meest voorkomende zijn:

  • juridische standpunten (“er is sprake van wanprestatie in de zin van artikel 6:74 BW.”)
  • financiële standpunten (“je kunt beter versneld je hypotheek aflossen.”)
  • politieke standpunten (“Nederland moet een progressiever vreemdelingenbeleid gaan voeren.”)
  • morele standpunten (“Je had niet moeten liegen tegen je beste vriend.”)
  • standpunt om iets te verkopen (“Neem nu een abonnement op deze krant.”)
  • natuurwetenschappelijke standpunten (“De aarde heeft een geringe afplatting aan de polen.”)
  • medische standpunten ("Bij deze patiënt is sprake van een meervoudige breuk.")
  • et cetera.

Het onderkennen van het soort standpunt, is niet onbelangrijk. Het raakt namelijk direct de relevantie van argumenten. Ik kom hier later op terug maar hopelijk zie je reeds in dat voor een juridisch standpunt je andere redenen verwacht dan voor een natuurwetenschappelijk standpunt. Dat de aarde een geringe afplatting heeft aan de polen is niet zo omdat dit in een wetboek staat.


De eerste kritische vraag:
Wat is precies het standpunt dat de ander inneemt?


Nu hopelijk duidelijk is wat in de praktijk onder een standpunt wordt verstaan, is het tijd voor een verdere verdieping. Om precies helder te krijgen wat het standpunt van een ander is - of deze eerst hierop te bevragen - is dit niet onbelangrijk. Hierover lees je hier meer.

Bewering (uitleg en voorbeelden)

De belangrijkste elementen in betogen zijn beweringen. Een bewering is een uitspraak die een geldigheidswaarde heeft. Binnen de argumentatietheorie wordt een bewering formeel ook wel propositie genoemd maar in de beroepspraktijk is deze term niet gangbaar.  Met geldigheidswaarde wordt bedoeld dat een bewering een uitspraak is waarvan je, als je begrijpt wat wordt bedoeld, kunt zeggen: “Ja, dat klopt”, of “Nee, dat klopt niet”.

Voorbeelden van beweringen zijn: “Het regent” (een beschrijving van een feit) of “Het is slecht weer” (een oordeel). 

Als je kijkt naar de verschillende kennissoorten dan zijn beschrijvingen van feiten én oordelen direct de twee meest relevante beweringen als het om argumentatie aankomt. In de praktijk zijn beweringen namelijk vaak óf beschrijvingen van feiten die je kunt controleren (“Het is 6 uur”) óf het zijn oordelen waarmee iemand een mening over een situatie geeft en waarmee je het eens of oneens kunt zijn (“Je bent te laat”). Maar er zijn - gezien de verschillende kennissoorten - natuurlijk nog meer mogelijkheden. Een bewering kan bijvoorbeeld ook een advies of een voorspelling zijn. Oordelen kun je vervolgens onderscheiden in verschillende soorten oordelen. Later – in het deel dat gaat over de aanvaardbaarheid van redeneringen –  zal ik dit uitgebreider toelichten.

Voorlopig is het enkel belangrijk dat je inziet dat je van beweringen uitspraken zijn waarvan je kunt afvragen of deze wel of niet kloppen. Bijvoorbeeld: “Klopt het wel dat het regent?” of “Klopt het wel dat het slecht weer is?”

Voorbeeld
Laten we het eerder gegeven betoog van de jongens aan de deur erbij pakken voor meer voorbeelden:

Aan je deur staan twee jongens die werken voor een telecomprovider. Ze hebben goed nieuws. De aanbieder die jij hebt, is – zo blijkt uit een overzicht dat ze bij zich hebben – veel duurder dan die van de jongens en ze kunnen je een juridisch vrijblijvend aanbod doen. De provider die zij vertegenwoordigen heeft namelijk de goedkoopste abonnementen die er zijn. Bovendien is de provider tevens de beste die er is want de provider is volkomen transparant over de prijzen. Alles wat je wilt weten, mag je weten. Een mooi aanbod toch?! Je hoeft alleen maar even een handtekening te zetten en dan ben je overgestapt. En sinds zij overgestapt zijn, hebben zij ook nooit spijt gehad. Ze hebben zich altijd thuis gevoeld bij deze provider. Je zult vast geen spijt krijgen.
 
Het betoog van de jongens aan de deur omvat diverse beweringen:
  • Het is verstandig als je overstapt van telecomprovider.
  • Onze provider heeft de goedkoopste abonnementen die er zijn.
  • Onze provider is de beste.
  • We zijn volkomen transparant zijn over de prijzen.
  • Het is een juridisch vrijblijvend aanbod.
  • Onze overstap heeft ons een goed gevoel gegeven.
  • We hebben nooit spijt gehad.
  • Jij zult ook geen spijt krijgen.

Met deze kennis van beweringen als uitgangspunt komen we aan bij een belangrijk startpunt voor het bevragen van oordelen in de beroepspraktijk: het standpunt.

__________

[1]
Over de insteek dat een bewering / propositie ook een oordeel kan zijn, bestaat discussie. Er zijn ook auteurs die vinden dat proposities enkel beweringen kunnen zijn die waar of niet waar kunnen zijn en daarmee alleen feitelijk van aard zijn. Juist omdat oordelen – zo zal later blijken – weer gebruikt kunnen worden als beweringen in redeneringen, werkt een bredere definitie van propositie mijns inziens in de praktijk beter. In de beroepspraktijk nemen oordelen immers een belangrijke rol in en moeten juist oordelen bevraagd worden.

Redeneringen en betogen

Als iemand in de uitoefening van zijn of haar beroep een oordeel velt en/of uitspreekt dan zal deze beargumenteerd moeten kunnen worden. Klanten, collega's, leidinggevenden, burgers die vertegenwoordigd worden of andere betrokkenen: iedereen verwacht immers - als onderdeel van hun algemene kennisverwachting - dat een oordeel gebaseerd is op houdbare kennis. Een beroepsbeoefenaar zal ook eventueel hierop bevraagd moeten en kunnen worden. Een professioneel oordeel vraagt om onderbouwing, om argumentatie.

De uiteenzetting van een oordeel (in het dagelijks taalgebruik soms ook wel standpunt, conclusie, claim, of beslissing genoemd) en de achterliggende onderbouwing noemen we een redenering. Een redenering kan klein zijn (enkele regels) maar ook groot. In het laatste geval wordt eerder van een betoog gesproken. Omdat deze overgang relatief en vaag is (wat is 'klein'?) is dit onderscheid voor de praktijk minder relevant. Of je nu te maken hebt met een kleine of grote redenering: het vraagt allemaal om een kritische houding.
 
Hierbij maakt het ook niet uit in welke uiting de redenering is opgenomen. Zo zie je uiteenzettingen terug in speeches, opiniestukken, politieke voordrachten, pleidooien, recensies, onderzoeken, scripties, diagnoses, et cetera.
  
Voorbeeld 1
Juristen zullen veelal werken met juridische betogen. Dit kunnen ten eerste betogen betreffen om de ander - bijvoorbeeld een rechter of een bestuursorgaan - te overtuigen. Neem bijvoorbeeld de pleitnota van een advocaat waarmee hij een rechter wil overtuigen dat de verdachte iets niet gedaan heeft. Juristen zullen ten tweede te maken hebben met juridische betogen waarin iemand een oordeel verantwoordt. Hiervan is bijvoorbeeld sprake in een arrest van een rechter. In een dergelijk betoog wordt een juridisch standpunt dus verwoord en verantwoord (“Ik concludeer 16 maanden celstraf in verband met …”).

Voorbeeld 2
Ook aan je voordeur kun je overvallen worden met een advies en achterliggend oordeel. Neem het volgende voorbeeld. Aan je deur staan twee jongens die werken voor een telecomprovider. Ze hebben goed nieuws. De aanbieder die jij hebt, is – zo blijkt uit een overzicht dat ze bij zich hebben – veel duurder dan die van de jongens en ze kunnen je een juridisch vrijblijvend aanbod doen. De provider die zij vertegenwoordigen heeft namelijk de goedkoopste abonnementen die er zijn. Bovendien is de provider tevens de beste die er is want de provider is volkomen transparant over de prijzen. Alles wat je wilt weten, mag je weten. Een mooi aanbod toch?! Je hoeft alleen maar even een handtekening te zetten en dan ben je overgestapt. En sinds zij overgestapt zijn, hebben zij ook nooit spijt gehad. Ze hebben zich altijd thuis gevoeld bij deze provider. Je zult vast geen spijt krijgen. 

Het advies is duidelijk: zeg je huidige abonnement op en stap over. Het achterliggend oordeel: de telecomprovider die wij vertegenwoordigen heeft een mooi aanbod. Een ander product, een andere aanbieding, maar mogelijk is het voorbeeld wel herkenbaar?

Eerder heb je kunnen lezen dat er misschien geen beroep denkbaar is waar geen oordeelsvorming plaatsvindt. Dit maakt dat iedere beroepsbeoefenaar moet kunnen redeneren en argumenteren. In de volgende bijdrage zal ik laten zien wat deze begrippen inhouden en - niet onbelangrijk - wat de overeenkomsten en verschillen zijn tussen redeneren en argumenteren.

Verhelderen van een betoog - inleiding

Vragen stellen bij een oordeel: betoog of redenering
Voordat je iemands oordeel kunt bevragen op houdbaarheid, moet je eerst achterhalen wat iemand precies redeneert [1]. Dit is de eerste stap binnen de HART-methode. Je gaat hiermee het oordeel analyseren: je probeert HELDER te krijgen wat precies wordt betoogd zonder nog een oordeel hierover te vellen. Deze aanpak kan ervoor zorgen dat je minder bevooroordeeld bent en een positief-kritische houding inneemt. In het begin kan deze stap nog vrij gekunsteld en inefficiënt overkomen maar als het op de lange termijn onderdeel uitmaakt van je denken, zul je hopelijk zien hoe waardevol het zetten van deze eerste stap is.
Met de volgende vragen kun je een betoog of redenering helder krijgen:
 
Vraag 1. Wat is het standpunt dat de ander inneemt?
Vraag 2. Welke redenen worden voor dit standpunt aangedragen?
Vraag 3. Wat is – als je kijkt naar het betoog zelf – verzwegen?
Vraag 4. Wat is de opbouw van het betoog of de redenering?
Vraag 5. Welke beweringen worden aangedragen ter ondersteuning?
 
Om deze vragen te kunnen beantwoorden, moet je eerst de basisbegrippen van argumentatie kennen. Ik zal deze begrippen in een volgende bijdrage toelichten. Vervolgens zal ik de vragen toelichten.
__________

[1]
Zie bijvoorbeeld ook Browne. M.N. en Stuart M. Keeley, Asking the Right Questions: A Guide to Critical Thinking, 2009, Prentice Hall, bladzijde 15.

Tunnelvisie binnen het recht

Helaas kunnen (ook) juridische beroepsbeoefenaren te maken krijgen met allerlei cognitieve valkuilen in hun oordeelsvorming. Om die reden is het belangrijk dat bij juridische kwesties alle betrokken partijen hun verhaal naar voren kunnen brengen. Helemaal als het recht wordt gezien als het enige waarop mensen kunnen terugvallen als de alledaagse normen in het maatschappelijk verkeer hen in de steek laten [1]. Als het recht de laatste strohalm is dan is het belangrijk dat de oordeelsvorming hierbinnen goed is.

Nu is dit helaas niet altijd het geval. Met name een aantal gerechtelijke dwalingen binnen het strafrecht hebben duidelijk gemaakt wat de impact kan zijn van minder goede oordeelsvorming.

Een bekende zaak waarin de oordeelsvorming achteraf niet goed bleek te zijn geweest, was de Puttense Moordzaak. In deze zaak werden twee mannen ten onrechte schuldig bevonden aan de verkrachting en moord van een 23-jarige stewardess. Ze werden in 1995 veroordeeld tot 10 jaar gevangenisstraf. Na zeven jaar werden ze alsnog vrijgesproken. Zes jaar later werd een nieuwe verdachte, Ronald P., op basis van een DNA-match opgepakt en veroordeeld.  

Vooral tunnelvisie kan de oordeelsvorming bij opsporing en berechting negatief beïnvloeden. Vaak liggen hier allerlei verkeerde overtuigingen aan ten grondslag over hoe de mens is. Een aantal voorbeelden:
 
Voorbeeld 1
Feit: Iemand bekent iets, bijvoorbeeld een misdrijf. 
Veelvoorkomend oordeel: Dan moet dit wel waar zijn. 
Onjuiste veronderstelling: Een mens liegt niet over dat hij een misdrijf heeft gepleegd. Dit is niet correct [2]. Dit voorbeeld toont een menselijke tekort dat volgens sommige auteurs apart aandacht verdient. We hebben namelijk de beperking om ons dingen te herinneren die niet plaatsgevonden hebben. Ons geheugen is erg beperkt: zaken raken verloren of worden herschreven. Hierbij komt ook nog dat andere mensen in staat zijn om door het stellen van suggestieve vragen ons te doen uitspreken dat bepaalde fictieve gebeurtenissen echt hebben plaatsgevonden. Terwijl hier geen bewijs voor is. Dit klinkt je misschien vreemd in de oren maar mensen kunnen bepaalde gebeurtenissen worden aangepraat. Ze denken oprecht dat iets in hun bijzijn heeft plaatsgevonden terwijl dat niet zo is [3]. 

Voorbeeld 2 
Feit: Een verdachte wil bij zijn verhoor niet spreken en beroept zich op zijn zwijgrecht.
Veelvoorkomend oordeel: Hij zal er wel iets mee te maken hebben.
Onjuiste veronderstelling: Alleen mensen die iets te verbergen hebben, zwijgen. Dit is niet juist [4].

Voorbeeld 3
Feit: Je zit in een situatie waarbij het lastig is om vast te stellen of een bekentenis van iemand waar is of niet.
Veelvoorkomend oordeel: Deze bekentenis moet wel waar zijn.
Onjuiste veronderstelling: Mensen die valse bekentenissen afleggen, kunnen eenvoudig herkend worden. Dit is niet juist [5].

Voorbeeld 4
 Feit: Een kind vertelt iets (bijvoorbeeld in een verhoor).
Veelvoorkomend oordeel: Dat wat het kind vertelt, zal wel waar zijn.
Onjuiste veronderstelling: Kinderen liegen niet of minder dan volwassenen. Dit is niet juist [6].

Voorbeeld 5
 Feit: Iemand doet aangifte van een vreselijk misdrijf.
Veelvoorkomend oordeel: Dit moet wel waar zijn.
Onjuiste veronderstelling: Sommige aangiftes van ervaringen zijn zo naar dat ze wel waar moeten zijn. Dit is niet juist [7].

Voorbeeld 6
Feit: Aangifte wordt gedaan van een vreselijk misdrijf.
Veelvoorkomend oordeel: Dit moet wel waar zijn.
Onjuiste veronderstelling: Sommige aangiftes van ervaringen zijn zo vreselijk dat eigen belangen (een ander motief voor betekenisgeving) niet meer spelen. Dit is echter niet juist [8]. De interpretatie is dus gelijk aan die van voorbeeld 5 maar de rechtvaardiging is net anders (ook een argument wordt gegeven). Ze is echter nog steeds (mogelijk) onjuist.

Deze voorbeelden maken duidelijk hoe belangrijk het is dat gerechtelijke procedures goed zijn ingericht. Volgens Braeckman & Boudry kan een goede juridische procedure er op twee niveaus voor zorgen dat er zo min mogelijk sprake is van tunnelvisie:
  • Doordat een partij (bijvoorbeeld een aanklager in een strafrechtelijke moordzaak) alles op alles zet om een eigen hypothese te staven (verdachte is schuldig) dan kan dit tot tunnelvisie leiden. Dit hoeft echter nog geen probleem te zijn omdat de andere partij (verdediger) dit even ijverig doet. Braeckman & Boudry noemen dit zelfcorrectie binnen de sociale context.
  • Hierdoor vindt, zo stellen Braeckman & Boudry, vervolgens  zelfcorrectie plaats op individueel psychologisch niveau. Een kritische partij in een rechtszaak anticipeert namelijk reeds op de strenge kritiek die hij van zijn opponent mag verwachten. Ook dit biedt weerstand aan de verleiding van de confirmation bias.

Helaas blijkt in de praktijk dat dit nog geen garanties geeft. Dus blijf ook vragen stellen bij juridische oordeelsvorming.

_________

[1]
Zie voor dit perspectief op het recht Trappenburg, M., Het recht als reservecircuit, in: Brouwer, P.W., M.M. Henket, A.M. Hol, en H. Klooster huis (red.), Drie dimensies van recht. Rechtstheorie, rechtsgeleerdheid, rechtspraktijk , Boom Juridische uitgevers, Den Haag 1999, pp. 57-76.

[2]
Zie bijvoorbeeld bekende voorbeelden als de Guilford Four en de Birmingham Six in Engeland en de Puttense Moordzaak en de beschuldiging van Ina Post in Nederland. Meerdere redenen kunnen aan een valse bekentenis ten grondslag liggen. Soms speelt (1) een (pathologische) drang naar bekendheid op, soms (2) gaat het om de bescherming of gunsten van anderen. Ook kan (3) ten onrechte worden gedacht dat men schuldig is (mogelijk na suggestie of misleiding). Tot slot speelt (4) psychische en zelfs lichamelijke druk (uitputting en de daarbij behorende stress) soms een rol. De schattingen hoe vaak valse bekentenissen voorkomen lopen sterk uiteen. Het percentage is namelijk in grote mate afhankelijk van de groep die bestudeerd wordt. Sommige onderzoeken komen zelfs tot 60%: bijna 2 op de 3 mensen zijn geneigd om een valse bekentenis af te leggen. Met name in de VS heeft dit de aandacht gekregen. Zie bijvoorbeeld Sackman, Edward J, False Confessions: Rethinking a Contemporary Problem, in: The Kansas Journal of Law & Public Policy, 2006 - 2007, Vol. 16 (208) voor een overzicht van enkele onderzoeken en een vergelijking tussen een inquisitoir en accusatoir rechtssysteem. 

[3]
Bekend zijn zaken van teruggevonden / verborgen / verdrongen herinneringen – met name op het gebied van seksueel misbruik – die achteraf aanwijsbaar fout waren. Achteraf bleek dat therapeuten vrij sturend waren geweest. Bijvoorbeeld door het geven van positieve feedback. Onderzoek laat echter zien dat er geen bewijs is dat mensen (na pakweg hun vierde) seksueel misbruik echt kunnen verdringen. Ook de werking van hypnose is discutabel. Voor een toegankelijk werk: Ruscio, J., Lilienfeld, S.O., e.a., De 50 grootste misvattingen in de psychologie, 2010, Prometheus / Bert Bakker. Een bekend psycholoog / wetenschapper wiens werk interessant is om over dit tegengeluid te lezen, is de Amerikaanse Elizabeth Loftus. Zij was betrokken bij meerdere rechtszaken.

[4]
Deze veronderstelling is niet per definitie juist. Iemand kan ook op de hoede zijn omdat hij bijvoorbeeld weet dat er verhoortechnieken zijn die het in zich hebben om tot valse bekentenissen te komen (bijvoorbeeld de methode van geleide herinnering). Of omdat de persoon er zich van bewust van is dat een feit in andere, onjuiste context wel strafbaar is. De reden kan nog meer basaal zijn. Bijvoorbeeld de drang niet mee te werken uit antipathie ten opzichte van de overheid. Of om iemand te beschermen die an sich toch niets met de zaak heeft te maken. Of uit schaamte. Of omdat het juridisch mag.

[5]
Van Koppen en Malsch wijzen op de Schiedammer Parkmoord als voorbeeld dat deze veronderstelling niet juist is. Zie Koppen, van P.J. en Malsch, M., Het praktisch nut van de rechtspsychologie, Kluwer, 2008, bladzijde 50.

[6]
Ouders zullen dit herkennen, maar 10 tot 15 procent van de kinderen liegt met opzet. Een bijkomend probleem is dat het professioneel uitvragen van kinderen lastig is. Een kind kan eerder (onbewust) een bepaalde richting op worden geleid dan een volwassene. Dit omdat kinderen o.a. eerder sociale wenselijke antwoorden willen geven. Zie Jonas, D.P.H, False positives in the field of child maltreatment, in: Child Abuse and Neglect, 2001, Vol 25 (10), bladzijde 1395. Ook staan kinderen snel open voor sturende gebaren die een vraag begeleiden. Zie Broaders, S.C. en Goldin-Meadow, S., Truth Is at Hand: How Gesture Adds Information During Investigative Interviews, in: Psychological Science, 2010, Vol. 21 (5), bladzijde 623 e.v.

[7]
Neem bijvoorbeeld seksueel misbruik van kinderen. De Landelijke Expertgroep Bijzondere Zedenzaken (LEBZ) stelde in een Zembla-uitzending in 2009 (titel: Verdachte vaders) dat tussen de 30 en 50 procent van de aangiftes van moeders van seksueel misdrijf door vaders vals is. Vaak is wraak het motief. Wetenschappelijke onderzoeken geven percentages onder de 10 procent (dit is echter inclusief de optie dat het kind aangifte doet). Zie o.a. Ney, T., True and False Allegations of Child Sexual Abuse: Assessment and Case Management, Psychology Press, 1995, bladzijde 23 e.v. In 1994 liet Amerikaans onderzoek door Kanin zien dat 41% van de verkrachtingszaken verzonnen was. Zie Kanin, E.J., False rape allegations in: Archives of Sexual Behaviour, 1994, Vol. 23 (1), bladzijde 85. Dit uitkomsten van dit onderzoek werden wel bekritiseerd. Later onderzoek liet zien dat de percentages van ‘verzonnen verkrachting’ in de wetenschap schommelen tussen 1,5% en 90%. Zie Rumney, N.S., False Allegations of Rape, in: Cambridge Law Journal, Vol: 65 (Maart), 2006, bladzijde 128 e.v. Wat deze cijfers je vooral laten zien, is dat aangiftes van gruwelijke misdrijven niet per definitie betrouwbaar zijn. Via rechtspraak.nl zijn eenvoudig voorbeelden te vinden van valse aangiften. Bijvoorbeeld ECLI:NL:RBZUT:2011:BR3110, Rechtbank Zutphen, 06/580210-09 en 06/850095-11.

[8]
Zie vorige noot. Er is een duidelijk verband tussen valse aangiftes en echtscheidingsprocedures.

Cognitieve valkuil: tunnelvisie

In onze oordeelsvorming zijn we zonder dat we het weten soms geneigd om uitsluitend informatie te zoeken (en vervolgens te interpreteren en te herinneren) die bestaande opvattingen bevestigen. Dus we geven niet alleen (te) snel betekenis aan feiten (zie deze valkuil) maar mogelijk doen dit ook nog eens niet zuiver omdat we enkel die informatie zien die we 'willen' zien. Ongeacht of dit wel houdbaar is.
 
Dit fenomeen noem je confirmation bias of tunnelvisie. Bij een beroepsbeoefenaar is sprake van tunnelvisie indien de persoon voor de uitoefening van het beroep enkel kennis omarmt - bijvoorbeeld iets waarneemt - als dit een bestaande opvatting bevestigt [1].
 
Voorbeeld
Stel een kassamedewerker heeft een negatieve kijk op oudere klanten (“bejaarden zijn sloom”). Dit kan er toe leiden dat hij vervolgens alleen ouderen waarneemt die dit bevestigen (“zie je wel, weer een bejaarde die niet wil opschieten bij de kassa”). Informatie die tegengesteld aan dit standpunt is (een snellere bejaarde) valt hem niet op.
 
We zijn geneigd meerdere zaken bevestigd te willen krijgen:
  1. overtuigingen n.a.v. eerdere ervaringen
  2. eerder genomen beslissingen
  3. onze levensovertuiging(en)
  4. onze professionele idealen: de idealen achter het werk dat we verrichten.
 
1. Bevestigen eerdere overtuigingen
We zijn ten eerste geneigd om voor onze overtuigingen bevestiging te zoeken. In combinatie met de menselijke neiging om feiten direct op een bepaalde manier te kleuren kan tunnelvisie ontstaan.

Voorbeeld
Mediators zullen de volgende situatie herkennen: twee buren, de familie Jansen en de familie Pietersen, hebben ruzie. Vele voorvallen hebben geleid tot wederzijdse irritatie. Grootste bron van irritatie van familie Jansen: de overstekende takken van een boom van familie Pietersen. Familie Pietersen irriteert zich weer aan de kinderen van familie Jansen. Op een dag besluit familie Jansen haar goede wil te tonen. Ze gaan tijdens het reguliere tuinonderhoud de boom van familie Pietersen van hun kant bijknippen. De kinderen werken hard mee. Maar hoe ziet familie Pietersen dit: “Die rotkinderen zitten weer met hun *$*$* aan onze boom. Ze moeten er **%*%# vanaf blijven!! Ze knippen zo de boom dood!”. 
 
Feit: De kinderen zitten aan de takken van mijn boom.
Oordeel: De kinderen mollen mijn boom.
Onjuiste veronderstelling: De kinderen zitten opnieuw aan de boom om deze kapot te maken of mij te irriteren.
    
2. Bevestigen eerder genomen oordeel of beslissing
Ook zijn we geneigd om informatie te zoeken die een eerder oordeel of beslissing bevestigt.

Voorbeeld
Stel, je hebt een bepaalde studie uitgezocht en je wilt nog even op internet enkele fora bezoeken om vast te stellen of je keuze goed is. De kans is groter dat je vooral die informatie erbij betrekt die jouw keuze bevestigt in plaats van ontkracht. Informatie die je keuze ondersteunt, lees je langer of kies je eerder uit je zoekresultaten. Hetzelfde probleem zie je terug als een arts objectief gezien onnodig lang blijft doorgaan met een verkeerde behandeling van een patiënt. De gerichtheid op een eerdere diagnose kan een aangepaste diagnose en behandeling in de weg staan.

Een specifieke variant hiervan is het zogenaamde sunk cost-probleem bij oordeelsvorming: we vinden het lastig om gemaakte kosten die we niet meer kunnen goedmaken niet mee te wegen als we moeten beslissen over de toekomst (zie ook hier).
 
3. Bevestigen levensovertuiging
Een levensovertuiging die iemand voorstaat, kan de juiste verwerking van informatie in de weg staan of op z’n minst een gekleurde betekenis geven. Met levensovertuiging wordt bedoeld de persoonlijke idealen die iemand hebben gevormd of nog steeds vormen en waaraan de persoon zijn identiteit ontleent. Het zijn als het ware fundamentele overtuigingen. Ze staan aan de basis van iemands bestaan (of meer filosofisch: van iemands zijn). Onderzoek laat zien dat het lastig is om informatie die hier tegen in gaat te aanvaarden.
 
Voorbeeld
Er zijn mensen die als levensmotto hebben dat ze altijd willen geloven in de goedheid van de mens. Voor deze groep mensen kan het lastig zijn om te accepteren dat iemand – bijvoorbeeld door een hersenbeschadiging [2] – slecht handelt . Als zich dan een vervelend voorval voordoet, zal iemand uit deze groep het voorval mogelijk oprecht toch gaan inkleuren vanuit zijn levensideaal: “maar hij bedoelde het vast goed”.
 
4. Bevestigen professionele idealen
Ook professionele idealen kunnen invloed hebben hoe met informatie wordt omgegaan.

Voorbeeld
Een voorbeeld uit het juridische domein. Zowel politie en het Openbaar Ministerie hebben primair tot doel wetsovertredingen en misdrijven op te sporen en te vervolgen. Een veilige samenleving staat voorop. De medewerkers van deze organisaties omarmen vaak dit ideaal (ze hebben immers niet voor niets bij deze organisatie gesolliciteerd) of worden hierop gewezen. Het gaat echter mis als ze vervolgens te ver gaan in het nastreven van dit ideaal. Als bijvoorbeeld alles op alles wordt gezet om misdadigers op te sporen. De mogelijke consequentie hiervan kan namelijk zijn dat de gerichtheid bij opsporing doorschiet, te eenzijdig wordt en dat enkel feiten worden gezocht die een verdachtmaking bekrachtigen. Dit wordt versterkt wanneer niets vinden geen optie is ("falen"). 

Stel een verdachte vertelt dat hij niet in de buurt van het voorval was. Dit kan op twee manieren worden geïnterpreteerd: hier is tegenbewijs maar ook als bewijs van een mogelijke leugenachtige houding van de verdachte. Indien van het laatste standpunt wordt uitgegaan, kan sprake zijn van tunnelvisie.

In de zorg zie je deze cognitieve valkuil terug bij zorgverleners die moeite hebben met het opgeven van patiënten en maar blijven doorbehandelen ook al is het objectief gezien niet zinnig. Een doorgeschoten gerichtheid op gezondheid als professioneel ideaal kan de oordeelsvorming vertroebelen.  
 
Tot slot
Het mag duidelijk zijn dat het uitsluitend zoeken naar bevestiging kan leiden tot allerlei problemen. Om het belang van het beteugelen van deze menselijke tekortkoming extra te benadrukken, is het goed om te lezen wat dit betekent voor de strafrechtelijke praktijk. Dit zal ik later uitwerken. Het wordt in ieder geval helemaal problematisch als meerdere van bovenstaande problemen zich tegelijkertijd voordoen. Indien een professional én zich te veel laat leiden door professionele idealen én door eerdere beslissingen én door eigen overtuigingen dan is de kans groot dat het eindoordeel niet goed is.
 
Het is overigens goed om in te zien dat lang niet alle beroepsbeoefenaren makkelijk zullen erkennen dat zij in een specifiek geval onderhevig waren aan tunnelvisie. Dit toegeven is lastig. Sterker, juist 'slimme' mensen zijn vaak goed in staat om te rationaliseren: om recht te praten wat krom is (hier vind je meer over deze valkuil). Dit maakt het onderkennen van en bevragen op tunnelvisie extra lastig. Helemaal als er andere belangen spelen (eer, reputatieschade, materiële schade) [3].

__________

[1]
Zie voor een voorbeeld over hoe een oordeel onze keuze voor nieuwe informatie stuurt Koppen, P.J., Reizen met mijn rechter, Kluwer, 2010, bladzijde 206. Dit betreft – in navolging op Wason – het zoeken naar nieuwe informatie die de regel achter de reeks  2-4-6 bevestigd. De toehoorder krijgt hiertoe de keuze tussen serie “8-10-12” als de serie “10-40-50” aangeboden om te horen of deze serie ook overeenkomstig de regel is. Het kiezen van de laatste serie is hierbij beter want dit levert nieuwe informatie op als de toehoorder dacht dat de regel steeds + 2 is (de regel was “het volgende getal is altijd groter dan de voorgaande”). Zie ook: Wason, P. C., On the failure to eliminate hypotheses in a conceptual task, in: Quarterly Journal of Experimental Psychology, 1960 (12), bladzijde 129-140.

[2]
Afwijkingen in de hersenen of hersenbeschadigingen kunnen van invloed zijn op het gedrag van mensen. De hersenstructuur maakt dat het goede in zekere zin bij sommige mensen niet aanwezig is. Een beroemd voorbeeld is Phineas Gage. Bij deze Amerikaanse spoorarbeider schoot bij een explosie een staaf door zijn hoofd met schade aan zijn linker prefrontale cortex tot gevolg. De overige verwondingen waren minimaal: hij genas tot ieders verbazing binnen een aantal maanden. Het ongeluk had echter tot gevolg dat zijn gedrag drastisch veranderde. Van een verantwoordelijk en geduldige man werd hij aanwijsbaar agressief en impulsief.

[3]
Treffend hiervoor zijn de dopingbekentenissen van wielrenners begin 21e eeuw. Toegeven dat je EPO of een ander prestatieverhogend middel had genomen was, zo rechtvaardigden een aantal wielrenners achteraf, (bijna) onmogelijk. Neem bijvoorbeeld Tyler Hamilton die stelt: “Probeer je je mijn situatie voor te stelen. Als ik de waarheid zou hebben verteld, zou alles voorbij zijn. De sponsor van de ploeg zou ermee ophouden en vijf mensen, vijftig vrienden van me, zouden hun baan verliezen. Mensen om wie ik geef. […] Dus ja, ik koos ervoor om te liegen […] Soms lieg je zo veel dat je er zelf in gaat geloven.” in Hamilton, T., en D. Coyle, De wielermaffia, het onthullende verhaal over doping in het Armstrong-tijdperk, Ambo|Anthos uitgevers, 2013, bladzijde 17.

Cognitieve valkuil: (te) snel betekenis geven aan feiten

Een andere veelvoorkomende cognitieve valkuil is dat we de kennis die tot ons komt, snel duiden. Vooral feitelijke beweringen voorzien we van een aanvullende betekenis door ze in ons eigen referentiekader te plaatsen. Bijvoorbeeld dat we zaken met elkaar gaan vergelijken. Iets is goedkoop, efficiënt, koud, warm, nat, hard, zacht, mooi, enzovoort. Verschillende feiten worden dan door ons aan elkaar gerelateerd. Het probleem is dat, zonder dat we dit ons beseffen, de achterliggende betekenisgeving persoonlijk is. Wat de ene persoon goedkoop, efficiënt, koud, et cetera vindt, hoeft de andere persoon nog niet te vinden. Nog los van het mogelijke probleem dat we niet alles al weten van de situatie.
 
Voorbeeld 1 
Als je het water voelt en denkt “goh, het water is niet koud” dan geef je betekenis aan de  temperatuur van het water dat op zichzelf enkel een bepaalde waarde heeft (bijvoorbeeld 18 graden). Voor jou is het – op dat moment en hoe jij je dan voelt – niet koud; voor iemand uit Midden-Afrika misschien wel?  Wanneer is iets koud? Waaraan relateer je dit? Is het niet te koud om te drinken, om in te zwemmen, om … Je oordeelt dat het water niet koud is, is op zich nog weinigzeggend.
 
Soms wordt betekenis gegeven op basis van een verondersteld denkkader van de ander.
 
Voorbeeld 2
Stel: een weerman zegt dat het een koude dag wordt omdat het maar 10 graden wordt. Dit kan betekenen: 10 graden is lager dan het normaal zou moeten zijn. Als het in voorgaande jaren bijvoorbeeld 14 graden gemiddeld was. Achter de uitspraak kan echter ook een andere veronderstelling zitten. Bijvoorbeeld de overtuiging dat 10 graden koud voor de kijkers is. Los of het gemiddeld 14 had moeten zijn. Sterker: mogelijk had de weerman bij 14 graden ook gezegd dat het koud gaat worden. We kunnen deze uitspraak als volgt opknippen:
 
Feit: Het wordt 10 graden.
Oordeel: Het wordt koud.
Veronderstelling: Als het 10 graden is, dan vinden mijn kijkers dit koud.
 
We hebben in het bijzonder de neiging om feiten moreel te willen duiden. We geven dan een morele, ook wel normatieve) betekenis aan een feit zonder ons af te vragen of we dit wel kunnen rechtvaardigen: we vinden iets snel moreel goed / niet goed, rechtvaardig / niet rechtvaardig of bijvoorbeeld eerlijk / niet eerlijk.
 
Voorbeeld 3
Net nadat een docent begonnen is met college komt een student de collegezaal in. De docent denkt “kansloos te laat, waardeloze student weer, gaat vast het vak niet halen”. Zo mogelijk denkt de student “waardeloze docent, begint te vroeg”.

Een vergelijking maken is een van de mogelijke vormen van betekenisgeving die kan plaatsvinden. Andere vormen zijn onder andere het (te) snel veronderstellen van causaliteit (het één zal wel uit het ander volgen) of het (te) snel generaliseren (alle gevallen zullen wel zo zijn).

Juist deze cognitieve neiging maken het voor beroepsbeoefenaren vaak lastig om onbevooroordeeld te zijn.

Onze gerichtheid kan gestuurd worden

Een andere cognitieve valkuil die ons professioneel oordeelsvermogen kan vertroebelen, is onze neiging de waarneming te laten sturen door de opdrachten die we van anderen krijgen. Indien we een verzoek krijgen iets te zoeken, zullen we gericht zijn op de uitvoering van de opdracht. Andere relevante informatie zien we dan over het hoofd. De opdracht beïnvloedt hierdoor onze gerichtheid, interpretatie en herinnering. Als de vragen die gesteld worden onze gerichtheid sturen, noemen we dit perceptuele waakzaamheid [1].

Als iemand aangeeft dat op deze pagina drie taalfouten staan, dan is de kans groter dat je een aantal fouten zult opmerken. En deze fouten eerder zult onthouden. Dit kan weer van invloed zijn op je oordeel over dit boek. Mogelijk kom je door deze opmerking eerder tot de conclusie dat “er zaten wel meerdere taalfouten in het boek” dan als de persoon niets had gezegd over de mogelijke taalfouten. Sterker, misschien constateer je hierbij taalfouten die helemaal geen taalfouten zijn. Omdat er drie moeten zijn, “vind” je er drie.

Reclamebureaus proberen hier – vaak zonder succes overigens – op in te spelen door ruim van te voren iets aan te kondigen en steeds langzaam een tipje van de sluier weg te geven.

Voorbeeld 1
Je hebt net een aantal alinea's gelezen. Maar welke geluiden hoorde je nu tijdens het lezen? Er bestaat een grote kans dat je dit niet meer (helemaal) zeker weet. Je bent gericht op het lezen en bestuderen van de tekst, zoals dit je mogelijk opgedragen hebt gekregen. Hierdoor sla je minder goed op wat je via je andere zintuigen hebt ervaren.

Voorbeeld 2 

Een bekend onderzoek dat laat zien hoe een gerichte vraag ook bewust gestuurd kan worden is het onderzoek van Simons & Chabris. Aan een groep proefpersonen wordt gevraagd om te tellen hoe vaak een groep jongeren een bal overgooit. In de tussentijd loopt een chimpansee door de groep en zwaait naar de kijkers. Bijna 50 procent van de personen gaf achteraf aan de chimpansee niet gezien te hebben [2]. Deze vraag laat zien dat een zoekvraag expliciet onze waarneming kan sturen.

Een speciale variant van deze valkuil is de negatieve suggestie [3]. Als iemand de opdracht krijgt om iets niet te doen, dan zijn veel mensen geneigd om het juist wel te doen. De oorzaak hiervoor ligt om te beginnen in de werking van onze hersenen. Als ik aan je vraag om niet aan een olifant te denken, dan maken je hersenen onbedoeld toch het beeld van een olifant aan. Daarnaast spelen een bepaalde rebellie en nieuwsgierigheid een rol. Stel, ik vertel je reeds dat onderaan de tekst een plaatje staat van twee bekende Nederlanders die gemeenschap hebben (standje 23!) maar dat je nu nog niet mag kijken. Niet iedereen zal het lukken om niet meteen te kijken.

Deze valkuil kan er voor zorgen dat we geen oog meer hebben voor alternatieven die buiten het verzoek liggen. We denken compleet te zijn in ons oordeel maar zijn enkel gericht aan het zoeken. Als je drie taalfouten hebt gevonden dan stop je. Terwijl er misschien wel vier taalfouten staan.

Dit kan bij (strafrechtelijke) onderzoeken problematisch worden. Als een agent wordt gevraagd om bewijs te zoeken die de schuld van een persoon bevestigt, is de kans groter dat de agent ontlastend materiaal over het hoofd ziet dan wanneer de vraag was om te zoeken naar bewijs voor de onschuld van een persoon. Je zult verderop lezen dat dit ook nog eens extra kan misgaan als de professional in kwestie zijn beroepsidealen te veel laat meewegen in zijn handelen. De redenering “Hij is schuldig want er is bewijs gevonden” kan bijvoorbeeld hierdoor in het strafrecht toch onjuist zijn: is er wel gezocht naar tegenbewijs? [4] Voor andere vakgebieden gaat dit natuurlijk ook op (denk aan de zorg).

Deze neiging kan ons ook opbreken als gesloten vragen worden gesteld die niet alle opties in zich hebben. Polls maken hier handig gebruik van. Stel ik vraag nu aan je of je dit boek goed vindt of niet. Veel lezer zullen of antwoorden dat  het een goed boek is of ze zullen zeggen dat het geen goed boek is. Andere mogelijke antwoorden worden – door de keuze van de vraag – hierdoor vergeten, zoals:

  • “het is wel ok” (inhoudelijk)
  • “goed gaat me wat ver, maar slecht wil ik het ook niet noemen” (inhoudelijk)
  • “dit kan ik pas zeggen als ik alles gelezen heb” (proces)
  • “ligt eraan waarvoor je het leest” (proces)
  • “voorlopig vind ik …” (proces en inhoud), et cetera.

Niet alleen het over het hoofd zien van andere opties is bezwaarlijk. Ook hoe iemand de vraag verwoordt – al betekent het feitelijk (zo goed als) hetzelfde – kan de uitkomst beïnvloeden. Op de vraag: “Ben je ondanks een economische crisis voor militair ingrijpen in land x? Het zal ons € 300 miljoen kosten.” zal naar alle waarschijnlijkheid een aanzienlijk lager percentage ja-antwoorden opleveren dan de vraag “Ben je ondanks een economische crisis voor internationaal militair ingrijpen in land x. Het zal ons € 300 miljoen kosten.” Enkel het woordje internationaal heeft namelijk invloed op de uitkomst. Dit wordt nog meer versterkt als genoemd is met wie we internationaal gaan ingrijpen [5]. Maar hoe relevant is dit – het internationaal-zijn, het samen-doen – voor het oordeel? Met de "juiste" vraag kun je dus iemand dichter bij het gewenste antwoord (oordeel) laten komen. De uitkomst van de oordeelsvorming wordt beïnvloed.
__________

[1]
Als je meer hierover wilt vinden: in het Engels heet dit: perceptual vigiliance.

[2]
Op internet zijn genoeg voorbeeldfilmpjes te vinden om het onderzoek zelf eens te proberen (awareness-test). In het Engels heet dit fenomeen inattentional blindness. Zie verder Simons, D.J. en Chabris, C.F., Gorillas in our midst: sustained inattentional blindness for dynamic events, in: Perception, 1999, Vol. 28 (9), bladzijde 1059 e.v.

[3]
De invloed van suggestie is ook in positieve zin aanwezig. Als een arts zegt dat het pijn gaat doen, dan voelen mensen eerder pijn dan als de arts zegt dat een handeling geen pijn gaat doen. Ondanks dat de handeling hetzelfde is.

[4]
Voor een bestuursrechtelijk voorbeeld zie Rechtspraak.nl,
Een gemeente mag onderzoek naar bijstandsfraude niet uitbesteden aan een commercieel bedrijf, 17 september 2014,
 
[5]
Voor een uitgebreide toelichting op dit voorbeeld: Halpem. D.F., Thought & Knowledge: an introduction to critical thinking, Lawrence Erlbaum Associates, Publishers, 2003, bladzijde 130 e.v.

Onze cognitieve valkuilen

Het menselijk “gezond” verstand kan een beroepsbeoefenaar flink beetnemen. Allerlei problemen kunnen namelijk bij het verwerven, verwerken en uiten van kennis zich voordoen. Deze beperkingen van het verstand worden ook wel cognitieve valkuilen genoemd: valkuilen van het menselijk verstand. We lijken met ons volle verstand en in alle redelijkheid een redenering en de hierin gebruikte informatie te aanvaarden terwijl we dit eigenlijk niet zouden moeten doen.

Volgens de wetenschapsfilosoof Ton Derksen hebben deze valkuilen te maken met onze cognitieve instincten: (vaak) evolutionaire krachten die een juist oordeel in de weg kunnen staan omdat het denken een verkeerde kant op gaat [1]. We moeten trouwens, zo betoogt Derksen, dit elkaar niet kwalijk nemen want het gebeurt vaak onbewust. Heb jij bijvoorbeeld ook niet gedacht dat de aarde stil stond totdat iemand vertelde dat niet waar was? Ons denken kan er gewoon naast zitten.

Dit heeft trouwens niet enkel met opleidingsniveau te maken. Sterker, er zijn auteurs die stellen dat juist "slimme" mensen gevoelig zijn voor de menselijke cognitieve valkuilen [2]. Dit heeft er mee te maken dat juist "slimme" mensen vaak de capaciteiten hebben om de waarheid of juistheid van willekeurig iedere opvatting te verdedigen. Hierdoor hebben zij nog meer dan niet slimme mensen ook de capaciteiten om een niet aanvaardbare bewering - bewust of onbewust - goed te praten. Om recht te praten wat krom is. Terwijl deze rationeel gezien niet aanvaard zou moeten worden. We noemen deze cognitieve valkuil rationaliseren.



Juist "verstandige" mensen zijn gevoelig
voor de menselijke cognitieve valkuilen.



Om te laten zien waar we het over hebben, zal ik hierna de belangrijkste cognitieve valkuilen concreet beschrijven. Probeer bij het lezen van de valkuilen wel scherp te zijn. Ik heb de meeste valkuilen begeleid met bewijs maar dit wil niet zeggen dat het daarom maar klopt. Mijn advies aan je is om te proberen voorbeelden te vinden van de verschillende cognitieve valkuilen. Of nog beter: tegenvoorbeelden. Als je op een gegeven moment denkt “laat maar zien die onderzoeken” dan zet je direct een belangrijke stap in het ontwikkelen van de juiste vragende houding.
__________

[1]
Zie Derksen, T., in KRO Profiel, De mensen achter Lucia de B., uitgezonden 2 april 2008 (nog te raadplegen via internet) 

[2]
Bijvoorbeeld Braeckman, J., Kritisch denken (hoorcollege over het ontwikkelen van heldere ideeën en argumenten), Home Academy Publishers, 2011, CD 1: Hoofdstuk 2: Zijn slimme mensen extra kwetsbaar?

Goed versus juist oordelen

De fundamentele vraag die een kritisch professional zich (dus) continu stelt is "Waarom zou ik deze informatie aanvaarden?" Als deze informatie specifiek een oordeel betreft, wordt dit de vraag: "Waarom zou ik dit betoog of deze redenering aanvaarden?" Omdat deze vraag nog vrij algemeen is, kun je met behulp van drie verschillende methodes deze vraag specifieker maken (dat lees je hier). Nu kwam hierbij een aantal keren het begrip goed oordeel terug. Het is het nuttig om dit af te zetten tegen wat een  juist oordeel is.
 
Goed versus juist oordelen
Om vast te stellen of sprake is van een goed oordeel kijk je naar de kwaliteit van het oordeel. Wat de inhoud is, doet hierbij niet ter zake. Afhankelijk van de situatie kan dit de kwaliteit van een oordeel van een individu betreffen (bijvoorbeeld van een collega, een bestuurder of van een klant) dan wel de kwaliteit van het oordeel van een groep (bijvoorbeeld het gezamenlijke oordeel van een verpleegkundig team, van een college van bestuur of een meervoudige kamer van een rechtbank). Wat het oordeel inhoudelijk zelf is, doet voor de 'goedheid' even niet ter zake. De uitkomst van een oordeel maakt met andere woorden een oordeel niet meer of minder goed.
 
Een oordeel noem je daarentegen een juist oordeel als het oordeel inhoudelijk klopt. Met andere woorden: een professional heeft een juist oordeel gemaakt als je vind dat je uitkomst kunt omarmen. Het oordeel is zoals het moet zijn; je bent met het oordeel eens [1].
 
Voorbeeld 2
We verwachten van overheidsorganen dat zij in hun oordeelsvorming de relevante feiten afzetten tegen het toepasselijke recht. Stel een juridisch medewerker van een gemeente verleent iemand een bijstandsuitkering. Als het oordeel dat hieraan ten grondslag ligt enkel gebaseerd is op een eerste indruk die de ambtenaar heeft van de mogelijke bijstandsgerechtigde dan zou dit geen goed genomen oordeel zijn. Hetzelfde geldt voor als deze ambtenaar bijstand gaat verlenen omdat hem dit een goed gevoel geeft. Of als de ambtenaar coulanter is omdat hij net lekker geluncht heeft. Dit sluit echter niet uit dat het eindoordeel – toevallig – wel juist is. Dat iemand gezien zijn situatie en gezien de voorwaarden voor bijstandsverlening inderdaad bijstand zou moeten krijgen. 
 
De meerwaarde van deze - theoretische [2] - tweedeling is dat het de mogelijkheid laat zien dat iemand het met een oordeel van iemand eens is (het is juist) terwijl qua redenering een geheel ander pad is bewandeld.

Voorbeeld 3
Stel een arts komt weloverwogen, met behulp van wetenschappelijk bewezen informatie en na inzet van diverse onderzoeken e.d., tot de conclusie dat een patiënt van hem de ziekte van Lyme heeft. Hier lijkt - even kort door de bocht - dan sprake te zijn van een goed oordeel. Als de patiënt vervolgens na een hierop gerichte behandeling langzaam hersteld dan zou je kunnen stellen dat het oordeel - de diagnose - ook juist was. Misschien had de buurvrouw ondertussen reeds hetzelfde geconcludeerd: mijn buurman heeft de ziekte van Lyme. Haar verklaring: enkele verschijnselen doen haar denken aan iets dat ze gelezen heeft in een advertorial in haar favoriete glossy. Haar oordeel lijkt - in de wetenschap wat de arts heeft vastgesteld - dan juist. Maar de oordeelsvorming zelf is verre van goed. Misschien hadden de verschijnselen die ze meeweegt ook evenwel tot andere conclusies kunnen leiden? Had ze andere ziekten wel uitgesloten? Is sowieso informatie uit een advertorial wel betrouwbaar? 
 
Gezien het thema van dit boek zul je in wat volgt enkel gaan lezen over welke vragen een professional kan stellen om te achterhalen of een oordeel een goed oordeel is [3]. Of de beroepsbeoefenaar om deze reden het oordeel kan aanvaarden. Wat het in de praktijk lastig maakt, is dat het in beginsel dus niet relevant is of je het met de uitkomst eens bent. Of je het oordeel juist vindt. Sterker, als je vragen gaat stellen over een oordeel is het juist de kunst om je eigen mening uit te zetten. Daarmee voorkom je dat je enkel sturende vragen gaat stellen ten aanzien van de oordelen en oordeelsvorming (dit zal namelijk als het om de kwaliteit van oordeelsvorming gaat weinig zinvol zijn).

__________

[1]
Of dat ooit mogelijk is, wordt door sommige filosofen bestreden. Een ander vraagstuk is of een oordeel ooit goed gemaakt kan zijn terwijl de uitkomst niet de juiste zou zijn. Ruim 2000 jaar geleden betoogde Socrates reeds - zoals beschreven door Plato - dat dit niet mogelijk is.
 
[2]
In het dagelijks taalgebruik worden de woorden wel door elkaar gebruikt. Iemand noemt dan een oordeel van een beroepsbeoefenaar bijvoorbeeld goed omdat de persoon het oordeel inhoudelijk een juist oordeel vindt. Bijvoorbeeld als een senior-jurist tegen een junior-jurist zegt: "Je hebt er goed aangedaan het bezwaar af te wijzen."

[3]
Deze insteek en afbakening kent wel een aantal filosofische (discutabele) vooronderstellingen. Ten eerste veronderstelt dit onderscheid dat mensen zelfstandig kunnen oordelen. Sommige filosofen zullen hiervan vinden dat dit ten onrechte een aantal filosofische discussies beslecht (kun je wel streven naar waarheid, hebben we wel een vrije wil, et cetera). Ten tweede doemt een cirkelredenering op. Het oordeel of iets goede oordeelsvorming is, is namelijk zelf ook weer een oordeel. Hoe weet je dan dat deze juist is? Ten derde is het verschil tussen proces en inhoud volgens sommige filosofen niet houdbaar. Achter het idee wat goed oordelen is (bijvoorbeeld dat een oordeel transparant moet zijn) gaan indirect normatieve ideeën schuil over wat goed (samen) leven is (we moeten leven in een transparante samenleving).