Twitter Facebook RSS Feed Email

Het innemen van een standpunt (verdieping)

Je hebt hier kunnen lezen wat in de (beroeps)praktijk onder het innemen van een standpunt wordt verstaan. Binnen de argumentatieleer wordt in plaats van het standpunt in praktische zin soms ook gesproken over het standpunt in formele zin. Met een standpunt in formele zin wordt de positie - een soort houding, mentale staat - bedoeld die iemand heeft ten aanzien van een bepaalde bewering.

Voorbeeld
Stel twee mannen kijken door het raam en een van de mannen zegt "Het regent". Wat hier theoretisch gebeurt, is dat deze man stelt "Ik ben het eens met de bewering dat het regent". De persoon is dan positief over het beweerde. Theoretisch gezien neemt hij dus een positieve houding aan (ja: mee eens) ten opzichte van het beweerde (het regent). 

Naast een positieve houding kan iemand nog twee andere houdingen ten opzichte van een bewering aannemen. Iemand kan als tweede optie het niet eens zijn met een bewering. De persoon neemt dan een negatieve houding aan ten opzichte van de bewering. Stel dat de tweede persoon ook naar buiten kijkt en zijn hoofd begint te schudden. Formeel stelt de persoon dan: "Ik ben het niet met de bewering eens dat het regent." De derde optie is de neutrale positie. In dat geval weet de persoon niet of het wel of niet regent (hiervan zou sprake kunnen zijn als de persoon blind zou zijn). 

Nu lijkt dit een wat lastig en geforceerd onderscheid te zijn tussen formeel standpunt (de houding) en het beweerde. In het dagelijks taalgebruik begrijpen we met het uitspreken van een bewering (bijvoorbeeld "Het regent") direct dat iemand een positieve houding aanneemt. Niet in de zin dat de persoon regen positief vindt maar positief in de zin dat de persoon het eens is met de bewering dat het regent. Het deel "dat de persoon het met de bewering eens is" denken we er niet bij (maar we begrijpen wel wat iemand zegt). 

Toch herkent een kritisch denker en vragensteller het verschil tussen het formele standpunt (de houding) en het beweerde. Hiervoor zijn meerdere redenen.

1. Het creëert ruimte om na te blijven denken.
Ten eerste maakt het onderscheid duidelijk dat je niet altijd met een bewering eens of oneens hoeft te zijn. De derde optie, een standpunt waar je niet kiest maar juist je keuze uitstelt, is net zo goed een optie. Sterker, in sommige beroepen zou dit juist het uitgangspunt moeten zijn. Denk maar aan de positie van een rechter in een juridisch proces. Het startpunt - voor het openen van het dossier - zou neutraal moeten zijn.

Vaak voelen we ons niettemin al snel gedwongen om te kiezen. Zeker in enquêtes waar deze neutrale optie niet gegeven wordt [2] of als je gevraagd wordt naar je standpunt in controversiële zaken. Ben je voor of tegen het huidige kabinet? Ben je voor of tegen Wilders? Ben je voor of tegen de doodstraf? Mag een student die afkijkt bij een tentamen direct van de opleiding wordt getrapt? Mag een huwelijkspartner nooit vreemdgaan? Vind je docent x geen waardeloze kerel? Allemaal vragen die je tevens kunt beantwoorden met “Ik weet het (nog) niet; laat ik eens nadenken”. Je standpunt is dan neutraal. Eerder heb ik laten zien dat gezien de valkuilen van ons verstand je sowieso beter open kunt blijven staan voor andere opties. Waarom moet je nu perse altijd voor of tegen zijn?
 
2. Je kunt beter het standpunt helder krijgen
Door dit onderscheid te hanteren, kun je ten tweede makkelijker scherper krijgen wat het standpunt is van de ander. 

Toelichting
Neem de volgende uitspraken:

1. Ik ben niet van mening dat Jan een slecht projectlid is.
2. Ik ben van mening dat Jan niet een slecht projectlid is.
3. Ik ben van mening dat Jan een goed projectlid is.

Wordt hier volgens jou drie keer hetzelfde gezegd?

Deze uitspraken lijken op elkaar maar verschillen ook. De meeste mensen zien in dat de derde uitspraak in ieder geval afwijkt van de eerste twee. We zien in dat ‘niet-slecht-zijn’ (uitspraak 2) lang niet altijd hetzelfde hoeft te zijn als ‘goed-zijn’ (uitspraak 3). Misschien is Jan gewoon middelmatig: niet slecht maar ook niet meteen goed.

De eerste twee uitspraken lijken wel op elkaar. Toch is er een verschil. Bij de eerste uitspraak is de ik-persoon het niet eens met een bewering; bij de tweede uitspraak is hij wel het ergens mee eens. De mentale staat - de formele houding - waarin de ik-persoon zich bevindt, is bij beide uitspraken hierdoor anders. 

Maar verschillen de uitspraken inhoudelijk? Uitspraak 1 lijkt door de inhoud meer een verdedigend karakter te hebben (als reactie op iemand anders?) terwijl uitspraak 2 meer stellend van aard is. Uitspraak 2 wordt hierdoor als krachtiger ervaren dan uitspraak 1 en lijkt daarom om meer bewijs te vragen. We zouden de context van de beweringen erbij moeten halen om dit precies vast te kunnen stellen.

Voor de rechtspraktijk is dit een belangrijk onderscheid. Kun je in navolging op bovenstaande voorbeelden het verschil tussen de volgende twee juridische uitspraken benoemen?

4. Ik vind niet dat Jan schuldig is aan diefstal in de zin van artikel 310 Sr.
5. Ik vind dat Jan niet schuldig is aan diefstal in de zin van artikel 310 Sr.

Voor niet-juristen lijkt er misschien weinig verschil te zijn tussen de uitspraken. Hoe klein ook, het onderscheid wordt duidelijker als we het werkwoord bewijzen toevoegen:

6. Ik vind niet dat bewezen is dat Jan schuldig is aan diefstal in de zin van artikel 310 Sr.
7. Ik vind dat bewezen is dat Jan niet schuldig is aan diefstal in de zin van artikel 310 Sr.

Het bewijs dat je zult aantreffen bij beide uitspraken zal wezenlijk verschillen. Bij de eerste uitspraak is geprobeerd te bewijzen dat Jan schuldig is. Dit is niet gelukt volgens de ik-persoon. Bij de tweede uitspraak is er juist bewijs verzameld om te laten zien dat Jan geen diefstal heeft gepleegd [2].

Het verschil tussen niet-weten-dat-iets-is of weten-dat-iets-niet-is kan bij sommige uitspraken zelfs een vrij fundamenteel karakter hebben:

8. Ik weet niet of God bestaat.
9. Ik weet dat God niet bestaat.

Uitspraak 8 herbergt een neutrale houding; in uitspraak 9 is het formele standpunt positief. De uitspraken verschillen hierdoor aanwijsbaar!

Het precies bevragen van het standpunt is daarom niet onbelangrijk. De argumentatie en gewenste bewijsvoering kan enorm verschillen.

__________

[1]
Neem een enquête als de Nationale Studenten Enquête  (bijvoorbeeld de NSE 2013) waarin o.a. aan studenten werd gevraagd hoe tevreden ze zijn over de aansluiting van de inhoud van de opleiding bij actuele ontwikkelingen. Studenten konden kiezen tussen: 1 t/m 5 waarbij 1 stond voor zeer ontevreden tot 5: zeer tevreden. Daarnaast was er een optie 6: n.v.t. Stel een eerstejaars voltijdstudent die alleen basisvakken heeft gevolgd, vindt de vraag wel relevant maar weet nog niet goed of de inhoud aansluit. Is dan het juiste antwoord: niet van toepassing? Op zich lijkt de vraag echter wel van toepassing. Niet van toepassing voor de voltijdstudent zijn eerder vragen die gericht zijn aan deeltijdstudenten. Hoe te antwoorden bij twijfel? Het positieve: hier heeft de student nog de optie “niet van toepassing”; bij veel enquêtes is zelfs dit niet mogelijk.

[2]
Dit wordt nog duidelijker als je deze uitspraken gaat bezien in het licht van de strafrechtelijke presumptie van onschuld (artikel 6 lid 2 EVRM) inhoudende het rechtsbeginsel dat iemand die strafrechtelijk wordt vervolgd door de vervolgende en rechtsprekende instanties voor onschuldig moet worden gehouden, totdat zijn schuld wettig is komen vast te staan. Deze presumptie is nodig juist vanwege het verschil tussen de twee uitspraken.