Twitter Facebook RSS Feed Email
Posts tonen met het label Argumentatietheorie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Argumentatietheorie. Alle posts tonen

Verbindende uitspraak (uitleg en voorbeelden)

Met alleen het geven van één bewering (naast soms een argumentatieve indicator) is een argument nog niet af. Stel je leidinggevende zegt: "Je wordt ontslagen want je hebt aanwijsbaar meerdere keren je werk niet goed verricht." dan zal dit je waarschijnlijk nog niet direct overtuigen. Los van allerlei vragen die je kunt hebben over wat wordt beweerd (hoezo heb ik meerdere keren mijn werk niet goed verricht, wat is precies meerdere keren, wat is het bewijs hiervoor, ik weet van niets, et cetera) is deze redenering nog niet volledig. Want waarom zou meerdere keren aanwijsbaar je werk niet goed verrichten nu direct moeten leiden tot ontslag? Wat de leidinggevende niet noemt maar wel impliceert, is dat je klaarblijkelijk ontslagen kunt en moet worden als je meerdere keren je werk niet goed hebt verricht. Deze algemene norm sprak hij echter niet uit (dat in een redenering niet alles wordt uitgesproken komt trouwens vaker voor; hierover kun je hier meer lezen).

Een volledig argument bestaat uit minstens twee premissen waarbij er minstens één algemene uitspraak is die zorgt voor een verbinding - een relatie legt - tussen standpunt en datgene wat verder nog wordt beweerd [1]. Deze algemene uitspraak wordt in de argumentatietheorie ook wel de verbindende uitspraak genoemd [2]. In de praktijk betreffen dit vaak de eerder genoemde beweringen die algemene uitspraken, algemene beginselen, normen, regels of als-dan-uitspraken uitdrukken [3].
 
Snel een voorbeeld. Iemand neemt het volgende standpunt in “Het bekijken van deze video was waardeloos omdat het wel tien keer werd onderbroken door reclame”. De feitelijke, specifieke bewering in het argument is: “Deze video werd wel tien keer onderbroken door reclame”. Dit hoeft echter nog niet iedereen te overtuigen van het standpunt dat daarmee het bekijken van de video waardeloos was. Hiervoor is nog iets anders nodig: iets dat een relatie legt tussen standpunt (“Het bekijken van deze video was waardeloos”) en de concrete feitelijke bewering (“Deze video werd wel tien keer onderbroken door reclame”). Dit is de verbindende uitspraak waarop de betreffende persoon bevraagd kan worden. In dit geval kan dit bijvoorbeeld de norm zijn: “Als een video vaker dan 9 keer wordt onderbroken door reclame dan is het waardeloos om naar te kijken”. Deze norm rechtvaardigt – voor de persoon in kwestie althans – de conclusie. Meer algemeen heeft de persoon in kwestie dan de overtuiging dat goede programma’s niet te vaak moeten worden onderbroken.

Nu is dit een vrij subjectieve norm. Niet iedereen zal het namelijk waardeloos vinden om naar een video te kijken die veel reclame-onderbrekingen kent. Om die reden zie je vaak dat mensen bij het argumenteren met hun overtuigingen proberen aan te sluiten bij een overtuiging die in de samenleving breed gedeeld wordt. Dit zal namelijk eerder de ander doen overtuigen. Bij morele oordelen zijn dit bijvoorbeeld algemene ethische principes als “Je behoort niet te liegen” of “Je behoort vertrouwelijk met de gegevens van een cliënt om te gaan”. Bij juridische oordelen zal de rechtvaardiging altijd een rechtsregel zijn; bijvoorbeeld de privaatrechtelijke rechtsregel dat een overeenkomst nagekomen moet worden [3].
 
Voorbeeld 1
Als iemand in een sollicitatiecommissie het oordeel uitspreekt: “Mevr. Pietersen moet voorrang krijgen bij deze sollicitatie want zij is een vrouw” dan worden er eigenlijk twee zaken beweerd in het argument:
 
- (expliciet) een feit: Mevr. Pietersen is een vrouw, en
- (impliciet) een norm als verbindende uitspraak: Vrouwen moeten een voorkeursbehandeling krijgen bij de sollicitatie.
 
De verbindende norm tussen standpunt en bewering is zoals je ziet niet direct uitgesproken maar wordt verondersteld. Hierop kan de persoon bevraagd worden. In ieder geval gaat het argument gezien het standpunt niet op zonder een dergelijke regel. Deze norm, de verbindende uitspraak hier, is impliciet gesteld.
 
Voorbeeld 2
Stel een rechter spreekt het oordeel uit dat Jansen verplicht is de schade die Pietersen lijdt te vergoeden omdat sprake is van wanprestatie van Jansen dan worden er twee zaken beweerd in het argument:
- (expliciet) een concreet oordeel: Er is sprake van wanprestatie door Jansen (voor juristen in opleiding: zijnde een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis die de schuldenaar niet kan worden toegerekend), en
- (impliciet) een norm als verbindende uitspraak: Bij wanprestatie is de schuldenaar verplicht de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden.

 
In de praktijk zie je vaak dat de verbindende uitspraak niet door iemand wordt uitgesproken maar enkel wordt geïmpliceerd. Het wordt verzwegen. Ook in bovenstaande voorbeelden zie je dit terug. Hierop kun je een ander bevragen. Dus stel je leidinggevende zegt: "Je wordt ontslagen want je hebt aanwijsbaar meerdere keren je werk niet goed verricht." dan kun je naast de eerder genoemde vragen ook de vraag stellen: "Hoezo zou ik (direct) ontslagen moeten en kunnen worden als ik aanwijsbaar meerdere keren mijn werk niet goed hebt verricht?" Ik zal op het bevragen van wat verzwegen is in argumentatie later terugkomen.

Trouwens let op: soms wordt de algemene verbindende uitspraak wel expliciet gegeven in het argument en de specifieke beweringen niet. 

Voorbeeld 3
Docent: "Je krijgt geen toegang tot het college want als je toegang wilt krijgen tot het college dan moet je op tijd komen."
 
Standpunt: Je krijgt geen toegang tot het college.
Argument: Want als je toegang wilt krijgen tot het college dan moet je op tijd komen.
Argumentatieve indicator: Want.
Premisse, een algemene uitspraak (expliciet): Als je toegang wilt krijgen tot het college dan moet je op tijd komen.

Concreet feit dat verzwegen is: Je bent nu niet op tijd.

In dit geval zou de student de vraag kunnen stellen op basis waarvan de docent concludeert - maar niet noemt - dat de student te laat was (naast andere vragen).

__________

[1]
Deze insteek heeft als uitgangspunt het argumentatiemodel van Toulmin al is een gelijke benadering ook bij andere filosofen te zien (bijvoorbeeld in de Retorica van Aristoteles). Het model is een goed model om de eerste stappen te zetten in argumentatietheorie en toepassing. Voor complexe zaken, zo wordt door sommige auteurs betoogd, is het model minder geschikt. Zie bijvoorbeeld: Feteris, E.T., Fundamentals of legal argumentation: a survey of theories on the justification of judicial decisions, Springer, 1999, bladzijde 46 en Willard, Ch.A., On the utility of descriptive diagrams for the analysis and criticism of arguments, in: Communication Monographs, 1976, Volume 43, bladzijde 319 e.v. 

[2]
Een eenduidige Nederlandse vertaling voor warrant bestaat niet. Zie voor ‘verbindende uitspraak’ bijvoorbeeld Schaaijk, G.A.F.M. van, Praktijkgericht juridisch onderzoek, Boom Juridische Uitgevers, 2011, bladzijde 199.

[3]
Deze rol van de rechtvaardigende, verbindende uitspraak kent gelijkenis met die van het begrip “het waardevolle / het verkieslijke” in de theorie van Perelman en Olbrechts-Tyteca. Mede vanuit historisch perspectief is het model van Perelman – naast het model van Toulmin dat meer centraal staat in dit hoofdstuk – een belangrijk model. Het waardevolle (waarden, waardehiërarchieën en loci/gemeenplaatsen) zorgt voor rechtvaardiging van het standpunt, namelijk via de erkenning van het waardevolle door de toehoorders. Het later uitgelegde onderscheid tussen rechtvaardiging en ondersteuning zoals bij Toulmin terugkomt, is hier niet aanwezig (een locus kan bijvoorbeeld weer de basis zijn voor een waardehiërarchie). Het voorop stellen van (ook) de doelgroep bij argumentatie toont het retorische karakter van de theorie van Perelman en Olbrechts-Tyteca. Het hoofdwerk betreft: Perelman, C. en Olbrechts-Tyteca, L., The new rhetoric. A treatise on argumentation (La nouvelle rhétorique), Notre Dame Press, 1969.

Premisse (uitleg - voorbeeld)

Als je eenmaal, al dan niet geholpen door de eventuele argumentatieve indicatoren, weet wat het argument is, zul je zien dat in een argument allerlei beweringen gedaan worden die wel of niet houdbaar zijn en kunt bevragen. 

Deze beweringen vormen hiermee een belangrijk hoofdbestandsdeel van een argument. Deze beweringen in een argument worden binnen de argumentatietheorie formeel premisse genoemd. In de beroepspraktijk zul je het begrip 'premisse' echter niet vaak horen [1]. Trek hieruit niet de conclusie dat deze beweringen niet belangrijk zijn. Juist de beweringen die door een professional in een argument worden aangedragen, moet je bevragen op houdbaarheid (later zal ik hier in detail op terugkomen).

premisse (uitleg - voorbeeld)

In de praktijk zal iemand vaak beschrijvingen van feiten (vanaf nu: feiten) of oordelen aandragen om een standpunt te onderbouwen. Een aantal voorbeelden om dit te verduidelijken.

Voorbeeld 1 Aandragen van feiten
Stel een patiënt spreekt bij de huisarts het volgende uit: "Ik wil graag een herhaalrecept want mijn medicijnen zijn op."

Het argument is: Want mijn medicijnen zijn op.
De argumentatieve indicator is: Want.
De premisse, in dit geval een feitelijke bewering, is: Mijn medicijnen zijn op. 
De vraag is natuurlijk of deze feitelijke bewering klopt (naast de vraag of dit een herhaalrecept rechtvaardigt)

Voorbeeld 2 Aandragen van een ander oordeel
Neem de (juridische) redenering van een leidinggevende: "Je wordt ontslagen op grond van een dringende reden, want je hebt aanwijsbaar meerdere keren je werk niet goed verricht."

Het argument is: Want je hebt aanwijsbaar meerdere keren je werk niet goed verricht.
De argumentatieve indicator is: Want.
De premisse, in dit geval een oordeel, is: Je hebt aanwijsbaar meerdere keren je werk niet goed verricht.
De vraag is natuurlijk wat hiermee wordt bedoeld en of dit wel (aanwijsbaar) klopt.

Voorbeeld 3 Aandragen van een ander oordeel
Laten we teruggaan naar het voorbeeldbetoog van de jongens aan de deur (zie hier onder voorbeeld 2). De argumentatieve indicatoren waren niet duidelijk gegeven. Dit is natuurlijk al snel het geval bij mondelinge pogingen om een ander te overtuigen. Een van de argumenten was echter: “Want onze provider heeft de goedkoopste abonnementen die er zijn.” Hierin zit één premisse (een oordeel): 'Onze provider heeft de goedkoopste abonnementen die er zijn'. In de argumentatie vind je bijvoorbeeld ook een juridische bewering (een oordeel) dat het aanbod vrijblijvend is. Of het oordeel dat hun provider de goedkoopste is.

Een oordeel in een argument kan trouwens ook meer algemeen van aard zijn, bijvoorbeeld als het een algemene uitspraak over zaken/mensen ("alle mensen zijn onbetrouwbaar"), algemeen beginsel ("Alles wat ik als hulpverlener zal zien of horen, ook van het privé-leven van de patiënten zal ik voor mij houden"), norm / regel ("Iemand die enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort wegneemt, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen is schuldig aan diefstal") of een als-dan-uitspraak ("Als je te laat komt, mag je niet meer de collegezaal in") uitdrukt [2].

Voorbeeld 4 Norm
Docent: "Je krijgt geen toegang tot het college want studenten behoren op tijd te komen."
 
Standpunt: Je krijgt geen toegang tot het college.
Argument: Want studenten behoren op tijd te komen.
Argumentatieve indicator: Want.
Premisse (een norm): Studenten behoren op tijd te komen.

In de volgende bijdrage ga je lezen dat deze algemene uitspraken niet onbelangrijk zijn. Ze spelen een belangrijke rol bij het volledig maken van een argument.
__________

[1]
Gelijk aan het begrip 'propositie' (zie hier). Een uitzondering hierop vormt literatuur uit de informatica / informatiekunde. Sterker, als het woord 'premisse' in de praktijk gebruikt wordt, dan is dit eerder in de zin van “vooronderstelling / aanname”. Dit is echter niet hetzelfde. 

[2]
Ook dergelijke algemene uitspraken kunnen volgens de meeste argumentatietheoretici worden gezien als een premisse. Zie bijvoorbeeld Sinnott-Armstrong, W. en R.J. Fogelin, Understanding arguments: an introduction to informal logic, Cengage Learning, 2010, bladzijde 96 e.v. Bij dergelijke uitspraken kun je namelijk stellen dat iemand dit vindt ("Studenten behoren op tijd te komen" staat voor "Ik vind dat studenten op tijd behoren te komen"). Dit is wel een definitiekwestie waarover discussie bestaat. Of een rechtsnorm bijvoorbeeld ook een bewering is, wordt vanuit rechtsfilosofisch perspectief soms bestreden. Van een rechtsnorm kan in de praktijk echter prima worden vastgesteld of deze klopt; namelijk of deze conform de vindplaats en achterliggende uitleg is. Dit zie je in de praktijk terug als iemand “beweert dat iets de juridische norm is”. Gezien de insteek van dit boek wordt om die reden ook dergelijke uitspraken als beweringen gezien.

Argument (definitie en uitleg)

Het onderbouwen van een standpunt in een oordeel gebeurt met argumenten. Een argument wordt in het dagelijks taalgebruik soms ook wel een reden  of een grond genoemd. Je hebt echter eerder kunnen lezen dat tussen redeneren en argumenteren wel een verschil zit. In dit boek zal ik deze begrippen - conform de praktijk - door elkaar gebruiken.
 
Voorbeeld
Een werknemer kan een reden geven om zijn baas ervan te overtuigen dat er flexibele werktijden ingevoerd zouden moeten worden. De persoon geeft dan volgens de meeste mensen een argument. Een werknemer kan daarnaast de reden geven waarom hij te laat kwam voor een vergadering ("Mijn horloge was kapot"). Deze reden zullen veel mensen niet als argument kwalificeren. De werknemer geeft enkel een verklaring voor iets: namelijk waarom hij te laat kwam. Of dit een geldige reden is om te laat te komen, is weer een andere discussie. Als dit ter discussie staat - bijvoorbeeld tussen de werknemer en zijn baas - wordt het kapotte horloge een argument.

Een argument is een uitspraak die iemand aanvoert om een ingenomen standpunt te rechtvaardigen of te verantwoorden. De argumenten moeten aantonen waarom het ingenomen standpunt houdbaar is. Een standpunt steunt namelijk op de argumenten die worden gegeven. De argumenten maken het standpunt meer of minder houdbaar. Een professional die voor een standpunt geen argumenten aangedragen ziet worden, zal hier vragen bij kunnen stellen.

Argument (uitleg en begrip)

Nadat je hebt afgevraagd wat precies het standpunt is van de ander is de tweede vraag dan ook wat de argumenten zijn die iemand aandraagt. Of beter verwoord: welke redenen de ander aandraagt. Of je deze vraag ook expliciet moet stellen is natuurlijk afhankelijk van wat precies gezegd wordt. Indien iemand enkel een standpunt geeft ("Belachelijk dat we overgaan op een nieuwe administratief systeem") dan moet je de argumentatie expliciet vragen. Vaak spreekt iemand echter wel de argumentatie uit. Al dan niet volledig zo zal later blijken.


De tweede kritische vraag:
Welke redenen worden aangedragen voor het standpunt?


Voorbeeld
Werknemer: "Het is tijd voor mij om naar huis te gaan want ik heb vanavond nog een vergadering."

Je ziet:
- een standpunt: Het is tijd om naar huis te gaan.
- een argument: Want ik moet vanavond naar de school van mijn kind

In de volgende bijdrage zal ik uitleggen hoe een standpunt en argument vaak met elkaar verbonden zijn: via de argumentatieve indicator. Dit kan je helpen bij het opsporen van de argumenten.

Het innemen van een standpunt in de praktijk

Een belangrijk startpunt bij het bevragen van oordelen in de beroepspraktijk is het standpunt dat een ander inneemt. De eerste vraag die je dan ook ten aanzien van iemands oordeelsvorming moet stellen, is wat precies het standpunt is dat iemand inneemt. Het resultaat van oordeelsvorming is namelijk het standpunt dat iemand zich heeft gevormd.
 
Standpunt (uitleg en voorbeelden)

Het standpunt is in de praktijk de mening, opvatting of zienswijze die iemand ergens over heeft: iemand beweert dat iets het geval is of zou moeten zijn. In plaats van standpunt wordt in het dagelijks taalgebruik ook wel gesproken van de conclusie, oordeel, claim of beslissing waartoe iemand is gekomen. Een voorbeeld van een standpunt is: “Ik vind dat Jan M. de doodstraf had verdiend” maar ook “Ik vind dat Nederland de Euro moet behouden”.

Afhankelijk van wat iemand precies beweert - en het werkveld - zie je vervolgens verschillende soorten standpunten. Deze soorten zijn natuurlijk direct gerelateerd aan de verschillende soorten oordeelsvorming. De meest voorkomende zijn:

  • juridische standpunten (“er is sprake van wanprestatie in de zin van artikel 6:74 BW.”)
  • financiële standpunten (“je kunt beter versneld je hypotheek aflossen.”)
  • politieke standpunten (“Nederland moet een progressiever vreemdelingenbeleid gaan voeren.”)
  • morele standpunten (“Je had niet moeten liegen tegen je beste vriend.”)
  • standpunt om iets te verkopen (“Neem nu een abonnement op deze krant.”)
  • natuurwetenschappelijke standpunten (“De aarde heeft een geringe afplatting aan de polen.”)
  • medische standpunten ("Bij deze patiënt is sprake van een meervoudige breuk.")
  • et cetera.

Het onderkennen van het soort standpunt, is niet onbelangrijk. Het raakt namelijk direct de relevantie van argumenten. Ik kom hier later op terug maar hopelijk zie je reeds in dat voor een juridisch standpunt je andere redenen verwacht dan voor een natuurwetenschappelijk standpunt. Dat de aarde een geringe afplatting heeft aan de polen is niet zo omdat dit in een wetboek staat.


De eerste kritische vraag:
Wat is precies het standpunt dat de ander inneemt?


Nu hopelijk duidelijk is wat in de praktijk onder een standpunt wordt verstaan, is het tijd voor een verdere verdieping. Om precies helder te krijgen wat het standpunt van een ander is - of deze eerst hierop te bevragen - is dit niet onbelangrijk. Hierover lees je hier meer.

Bewering (uitleg en voorbeelden)

De belangrijkste elementen in betogen zijn beweringen. Een bewering is een uitspraak die een geldigheidswaarde heeft. Binnen de argumentatietheorie wordt een bewering formeel ook wel propositie genoemd maar in de beroepspraktijk is deze term niet gangbaar.  Met geldigheidswaarde wordt bedoeld dat een bewering een uitspraak is waarvan je, als je begrijpt wat wordt bedoeld, kunt zeggen: “Ja, dat klopt”, of “Nee, dat klopt niet”.

Voorbeelden van beweringen zijn: “Het regent” (een beschrijving van een feit) of “Het is slecht weer” (een oordeel). 

Als je kijkt naar de verschillende kennissoorten dan zijn beschrijvingen van feiten én oordelen direct de twee meest relevante beweringen als het om argumentatie aankomt. In de praktijk zijn beweringen namelijk vaak óf beschrijvingen van feiten die je kunt controleren (“Het is 6 uur”) óf het zijn oordelen waarmee iemand een mening over een situatie geeft en waarmee je het eens of oneens kunt zijn (“Je bent te laat”). Maar er zijn - gezien de verschillende kennissoorten - natuurlijk nog meer mogelijkheden. Een bewering kan bijvoorbeeld ook een advies of een voorspelling zijn. Oordelen kun je vervolgens onderscheiden in verschillende soorten oordelen. Later – in het deel dat gaat over de aanvaardbaarheid van redeneringen –  zal ik dit uitgebreider toelichten.

Voorlopig is het enkel belangrijk dat je inziet dat je van beweringen uitspraken zijn waarvan je kunt afvragen of deze wel of niet kloppen. Bijvoorbeeld: “Klopt het wel dat het regent?” of “Klopt het wel dat het slecht weer is?

Voorbeeld
Laten we het eerder gegeven betoog van de jongens aan de deur erbij pakken voor meer voorbeelden:

Aan je deur staan twee jongens die werken voor een telecomprovider. Ze hebben goed nieuws. De aanbieder die jij hebt, is – zo blijkt uit een overzicht dat ze bij zich hebben – veel duurder dan die van de jongens en ze kunnen je een juridisch vrijblijvend aanbod doen. De provider die zij vertegenwoordigen heeft namelijk de goedkoopste abonnementen die er zijn. Bovendien is de provider tevens de beste die er is want de provider is volkomen transparant over de prijzen. Alles wat je wilt weten, mag je weten. Een mooi aanbod toch?! Je hoeft alleen maar even een handtekening te zetten en dan ben je overgestapt. En sinds zij overgestapt zijn, hebben zij ook nooit spijt gehad. Ze hebben zich altijd thuis gevoeld bij deze provider. Je zult vast geen spijt krijgen.
 
Het betoog van de jongens aan de deur omvat diverse beweringen:
  • Het is verstandig als je overstapt van telecomprovider.
  • Onze provider heeft de goedkoopste abonnementen die er zijn.
  • Onze provider is de beste.
  • We zijn volkomen transparant zijn over de prijzen.
  • Het is een juridisch vrijblijvend aanbod.
  • Onze overstap heeft ons een goed gevoel gegeven.
  • We hebben nooit spijt gehad.
  • Jij zult ook geen spijt krijgen.

Met deze kennis van beweringen als uitgangspunt komen we aan bij een belangrijk startpunt voor het bevragen van oordelen in de beroepspraktijk: het standpunt.

__________

[1]
Over de insteek dat een bewering / propositie ook een oordeel kan zijn, bestaat discussie. Er zijn ook auteurs die vinden dat proposities enkel beweringen kunnen zijn die waar of niet waar kunnen zijn en daarmee alleen feitelijk van aard zijn. Juist omdat oordelen – zo zal later blijken – weer gebruikt kunnen worden als beweringen in redeneringen, werkt een bredere definitie van propositie mijns inziens in de praktijk beter. In de beroepspraktijk nemen oordelen immers een belangrijke rol in en moeten juist oordelen bevraagd worden.

Redeneringen en betogen

Als iemand in de uitoefening van zijn of haar beroep een oordeel velt en/of uitspreekt dan zal deze beargumenteerd moeten kunnen worden. Klanten, collega's, leidinggevenden, burgers die vertegenwoordigd worden of andere betrokkenen: iedereen verwacht immers - als onderdeel van hun algemene kennisverwachting - dat een oordeel gebaseerd is op houdbare kennis. Een beroepsbeoefenaar zal ook eventueel hierop bevraagd moeten en kunnen worden. Een professioneel oordeel vraagt om onderbouwing, om argumentatie.

De uiteenzetting van een oordeel (in het dagelijks taalgebruik soms ook wel standpunt, conclusie, claim, of beslissing genoemd) en de achterliggende onderbouwing noemen we een redenering. Een redenering kan klein zijn (enkele regels) maar ook groot. In het laatste geval wordt eerder van een betoog gesproken. Omdat deze overgang relatief en vaag is (wat is 'klein'?) is dit onderscheid voor de praktijk minder relevant. Of je nu te maken hebt met een kleine of grote redenering: het vraagt allemaal om een kritische houding.
 
Hierbij maakt het ook niet uit in welke uiting de redenering is opgenomen. Zo zie je uiteenzettingen terug in speeches, opiniestukken, politieke voordrachten, pleidooien, recensies, onderzoeken, scripties, diagnoses, et cetera.
  
Voorbeeld 1
Juristen zullen veelal werken met juridische betogen. Dit kunnen ten eerste betogen betreffen om de ander - bijvoorbeeld een rechter of een bestuursorgaan - te overtuigen. Neem bijvoorbeeld de pleitnota van een advocaat waarmee hij een rechter wil overtuigen dat de verdachte iets niet gedaan heeft. Juristen zullen ten tweede te maken hebben met juridische betogen waarin iemand een oordeel verantwoordt. Hiervan is bijvoorbeeld sprake in een arrest van een rechter. In een dergelijk betoog wordt een juridisch standpunt dus verwoord en verantwoord (“Ik concludeer 16 maanden celstraf in verband met …”).

Voorbeeld 2
Ook aan je voordeur kun je overvallen worden met een advies en achterliggend oordeel. Neem het volgende voorbeeld. Aan je deur staan twee jongens die werken voor een telecomprovider. Ze hebben goed nieuws. De aanbieder die jij hebt, is – zo blijkt uit een overzicht dat ze bij zich hebben – veel duurder dan die van de jongens en ze kunnen je een juridisch vrijblijvend aanbod doen. De provider die zij vertegenwoordigen heeft namelijk de goedkoopste abonnementen die er zijn. Bovendien is de provider tevens de beste die er is want de provider is volkomen transparant over de prijzen. Alles wat je wilt weten, mag je weten. Een mooi aanbod toch?! Je hoeft alleen maar even een handtekening te zetten en dan ben je overgestapt. En sinds zij overgestapt zijn, hebben zij ook nooit spijt gehad. Ze hebben zich altijd thuis gevoeld bij deze provider. Je zult vast geen spijt krijgen. 

Het advies is duidelijk: zeg je huidige abonnement op en stap over. Het achterliggend oordeel: de telecomprovider die wij vertegenwoordigen heeft een mooi aanbod. Een ander product, een andere aanbieding, maar mogelijk is het voorbeeld wel herkenbaar?

Eerder heb je kunnen lezen dat er misschien geen beroep denkbaar is waar geen oordeelsvorming plaatsvindt. Dit maakt dat iedere beroepsbeoefenaar moet kunnen redeneren en argumenteren. In de volgende bijdrage zal ik laten zien wat deze begrippen inhouden en - niet onbelangrijk - wat de overeenkomsten en verschillen zijn tussen redeneren en argumenteren.

HART-criteria voor goed argumenteren

Een tweede, meer gestructureerde manier om betogen en redeneringen te bevragen is met  behulp van de HART-methode. Een oordeel kun je volgens deze methode benaderen aan de hand van vier criteria, te weten helderheid, aanvaardbaarheid, relevantie en toereikendheid [1].

Deze vier criteria leveren hiermee vier vragen op waarop je een betoog of redenering kunt bevragen:

  • In hoeverre is het oordeel (de redenering of betoog) HELDER ?
  • In hoeverre is de gebruikte informatie in het oordeel AANVAARDBAAR?
  • In hoeverre zijn de argumenten RELEVANT?
  • In hoeverre zijn de argumenten TOEREIKEND?

Ik zal de HART-criteria kort toelichten. De uitgebreide toelichting volgt in opkomende artikelen.


Helderheid (analyse)
Je moet om te beginnen proberen helder te krijgen wat iemand precies betoogt. Dit klinkt logisch maar soms laten we ons ergens van overtuigen zonder dat we misschien inzien hoe en wat precies beredeneerd wordt. Maar of dit nu een wetenschappelijk artikel, een opiniërende column, een pleitnota, een bezwaarschrift of bijvoorbeeld een mondeling betoog betreft: eerst moet je natuurlijk duidelijk krijgen wat precies betoogd wordt [2].

Een kritische houding begint om die reden met het analyseren van het betoog van de ander. Wat is het standpunt en wat zijn de argumenten? Hoe verhouden de argumenten zich ten opzichte van elkaar? Lopen argumenten niet door elkaar heen? Wat wordt precies beweerd? Pas nadat je dit duidelijk hebt, kun je een betoog evalueren aan de hand van de andere drie criteria: kun je de inhoud van de argumenten beoordelen.
 
Helderheid is hiermee dus essentieel voor een zelfstandige en weloverwogen acceptatie van het betoog. Een methode om deze helderheid te krijgen, is door gebruik te maken van een aanpak waartoe Aristoteles twee millennia geleden reeds een eerste aanzet heeft gegeven.  Dit betreft het achterhalen van de argumentatiestructuur van een betoog. Maar laat ik het niet moeilijker maken dan het is. Begin gewoon met het vaststellen van het standpunt en wat de argumenten zijn. Een opinie van 1 A4 laat zich niet zelden terugbrengen tot één standpunt met iets van drie argumenten. De rest is vulling en kan weg.

Aanvaardbaarheid (evaluatie)
Nadat het je duidelijk is geworden wat het standpunt en de argumenten zijn, kun je de kwaliteit ervan gaan bevragen en evalueren. Hiertoe dienen de drie andere criteria.

De uitspraken die iemand doet in de argumentatie, moeten om te beginnen aanvaardbaar zijn, willen ze overtuigen. Ze moeten houdbaar zijn. Of dit nu bijvoorbeeld feitelijke beweringen betreffen, de oordelen die iemand velt, of de toepasselijke beginselen die aan een redenering ten grondslag liggen: ze moeten waar of juist zijn.

Neem een simpele redenering als: "We moeten naar huis want het gaat zo regenen". Wat wordt dan bedoeld met zo? En stel dat wordt bedoeld "binnen 10 minuten gaat het regenen", waar is dit dan op gebaseerd? Is hier bewijs voor? Buienradar? Eigen waarneming? Of wil je gewoon naar huis en gebruik je dit als excuus. En hoe zit het met de achterliggende veronderstelling: "Altijd als het regent, moet je naar huis". Hoezo? We kunnen toch ook de kroeg in? Een regenjas aandoen? Waarom dan naar huis?

Zelf een kleine redenering als deze roept al genoeg vragen op. Allerlei vragen die je kunt stellen voordat je de inhoud kunt omarmen.

Relevantie (evaluatie)
Met het derde en vierde criterium probeer je vast te stellen of de argumenten wel kunnen leiden tot de conclusie. De redenen die iemand geeft, moeten om te beginnen relevant zijn voor de conclusie. Of het nu gaat om een betoog om jou ergens van te overtuigen of als je zelf een beslissing neemt: de redenen moeten relevant zijn.

Stel een student zegt: “Ik wil minder huiswerk want de zon is achter de wolken”. Misschien moet je wel aanvaarden dat de inhoud in het argument klopt: de zon is inderdaad achter de wolken. Maar dan nog lijkt dit niet op een relevant argument. Meer relevant is het argument “(want) we moeten meer doen voor het vak dan er uren voor staan”.

Natuurlijk kun je pas over de relevantie oordelen als je het hele argument in beeld hebt (de H van Helderheid dus). Om de relevantie van de argumenten te doorgronden of om een ander hier gericht op te bevragen, is het waardevol om inzicht te krijgen in argumentatieschema’s.

Toereikendheid (evaluatie)
Tot slot moeten de argumenten toereikend  zijn voor de conclusie. Dit geeft toereikendheid als vierde criterium. Dit brengt een lastige vraag met zich mee want wanneer is een conclusie nu afdoende beargumenteerd? Hoeveel voorargumenten moeten er nu worden aangedragen om te kunnen overtuigen? Is één argument genoeg, twee, drie?

Het argument dat jij goede cijfers hebt gehaald tijdens je studie, is relevant om een goede stageplek te krijgen maar dit hoeft nog niet toereikend te zijn. Misschien heeft een medestudent wel én goede cijfers én heeft hij reeds veel ervaring door het doen van bestuurswerk naast zijn studie.

Ten tweede zal in een deugdelijk betoog ook al geanticipeerd worden op tegenargumenten wil het toereikend zijn. Als op een voor de hand liggend tegenargument niet geanticipeerd wordt, lijken de argumenten nog niet toereikend. Om deze reden is ook het onderkennen van voorbehouden belangrijk. Wordt in het betoog al rekening gehouden met een eventuele uitzondering (het voorbehoud)? Ook om de toereikendheid van een argumentatie vast te stellen, kun je de argumentatieschema´s erbij pakken.


__________________________________

[1]
Deze vier criteria bouwen voort op het driehoek-model van Johnson & Blair. Zie Johnson, R.H. en Blair, J.A. Logical self-defense, IDEA, 1994, bladzijde 49 e.v. Zie bijvoorbeeld ook: Hughes, W., Lavery, J. en Doran, K., Critical thinking, an introduction to the basic skills, Broadview Press, 2009, bladzijde 116. Dat een betoog eerst inzichtelijk (helder) moet zijn, is een eigen toevoeging. Zie echter voor een gelijke conclusie Damer, T.E., Attacking faulty reasoning: a practical guide to fallacy-free arguments, Cengage Learning, 2008, bladzijde 31. Soms wordt ook efficiency als vijfde criterium toegevoegd teneinde te beoordelen of ruimte is gemaakt voor tegenargumentatie (zie Damer, bladzijde 38). Dit kan m.i. worden meegenomen onder de toereikendheid van argumentatie. Daarnaast worden soms andere woorden (vertalingen) gebruikt. Bijvoorbeeld adequaatheid in plaats van toereikendheid.

[2]
Van Schaaijk spreekt van een controleerbaar betoog. Zie Schaaijk, G.A.F.M. van, Praktijkgericht juridisch onderzoek, Boom Juridische Uitgevers, 2011, bladzijde 188.

Het innemen van een standpunt (verdieping)

Je hebt hier kunnen lezen wat in de (beroeps)praktijk onder het innemen van een standpunt wordt verstaan. Binnen de argumentatieleer wordt in plaats van het standpunt in praktische zin soms ook gesproken over het standpunt in formele zin. Met een standpunt in formele zin wordt de positie - een soort houding, mentale staat - bedoeld die iemand heeft ten aanzien van een bepaalde bewering.

Voorbeeld
Stel twee mannen kijken door het raam en een van de mannen zegt "Het regent". Wat hier theoretisch gebeurt, is dat deze man stelt "Ik ben het eens met de bewering dat het regent". De persoon is dan positief over het beweerde. Theoretisch gezien neemt hij dus een positieve houding aan (ja: mee eens) ten opzichte van het beweerde (het regent). 

De definitie van argumentatie en argumenteren (update)

Wat is argumentatie (definitie)
Wat is nu precies een argumentatie? Wat wordt precies bedoeld met argumentatie en argumenteren? Dit zijn vragen waar we snel overheen stappen omdat we wel denken te weten wat argumentatie is. Als we echter de juiste vragen willen stellen bij de argumentatie van anderen en bij de argumentatie van onszelf, zullen we eerst moeten weten wat argumenteren inhoudt. In deze posting zal ik het begrip argumentatie om die reden toelichten en proberen een definitie te geven.

Definitie argumentatie Van Eemeren & Snoeck Henkemans
Als startpunt kun je het beste de definitie van argumentatie van F.H. van Eemeren en A.F. Snoeck Henkemans (*) gebruiken. Zij definiëren een argumentatie als:

een verbale, sociale en rationele activiteit die erop is gericht een redelijke beoordelaar te overtuigen van de aanvaardbaarheid van een standpunt door één of meer proposities naar voren te brengen die ter rechtvaardiging van dat standpunt dienen.

Redeneren vs argumenteren

In een eerdere bijdrage heb ik uitgelegd dat van professionals wordt verwacht dat ze een oordeel onderbouwen met argumenten en we ze hierop kunnen bevragen. Nu is het echter niet altijd voor iedereen helder wat argumenteren precies is en wat het verschil is tussen argumenteren en redeneren. In het dagelijks taalgebruik en in de beroepspraktijk worden de begrippen vaak door elkaar gebruikt. Soms bewust, soms onbewust. En in alle eerlijkheid: ook ik hanteer op de openingspagina de termen door elkaar. Toch zit er een verschil tussen de twee begrippen. Ik zal dit toelichten in deze extra bijdrage. Daarbij zal duidelijk worden dat er meerdere redenen zijn om te redeneren.

Argumenteren op basis van analogie

THEORIE
Een veelvoorkomende manier van argumenteren in beleidsargumentatie is het argumenteren op basis van analogie. Dit is niet vreemd. Argumenteren op basis van analogie is namelijk een krachtige en overtuigende manier om de ander te overtuigen. In deze posting een uitleg.
Argumenteren op basis van analogie


Theorie van de analogie
Formeel is argumenteren op basis van analogie een voorbeeld van een argumentatieschema dat je kunt gebruiken. Het zegt namelijk iets over hoe een argument zich verhoudt tot het standpunt. Argumenteren op basis van analogie is een vorm van inductief argumenteren. Dit wil zeggen dat de redenering meer of minder betrouwbaar is. Iemand probeert je te overtuigen maar helemaal zeker is dit niet. Dit is afhankelijk van de gemaakte analogie. In abstracte vorm gaat een argumentatie op basis van analogie als volgt:

Voor A geldt y
Dus voor B geldt ook y
Want B is gelijk aan A (in eigenschappen x[1] tot en met x[n])

Omdat dit allemaal nog wat lastig kan overkomen, zal ik eerst een aantal voorbeelden geven:

Aan de noordkant van ons dorp mag geen viaduct komen
Dus aan de zuidkant van ons dorp mag ook geen viaduct komen
Jan moet niet toegelaten worden tot het college
want Piet werd vorige week ook niet toegelaten toen hij te laat kwam
Homoseksuele stellen zouden kinderen moeten kunnen adopteren
want heteroseksuele stellen mogen dit immers ook
In Nederland zal onderzoek moeten worden gedaan naar matchfixing
want in andere Europese landen vindt dit onderzoek ook plaats

Uitleg argumentatie op basis van analogie
Wat bovenstaande voorbeelden met elkaar delen, is dat gezegd wordt dat iets het geval zou moeten zijn (of juist niet) omdat dit ook bij een vergelijkbaar geval zo was. Anders verwoord: omdat in een bepaald geval iets de conclusie was, moet dit nu ook zo zijn. Een analogie-argumentatie is dus een argumentatie waarbij we overtuigd moeten raken van de conclusie doordat twee of meerder zaken via het argument met elkaar vergeleken worden. Een argumentatie op basis van analogie wordt daarom ook wel een vergelijkingsargumentatie, argumentatie op basis van vergelijking of argumentatie gebaseerd op een vergelijkingsrelatie genoemd.

Afhankelijk van de vergelijking zullen we meer of minder overtuigd zijn. Vandaar dat de argumentatie inductief is.

Onderliggende aannames
Argumenteren op basis van analogie gaat uit van twee belangrijke aannames. Deze twee aannames worden vaak verzwegen. 

1. De twee (of meer) zaken zijn vergelijkbaar
De eerste aanname is dat de twee situaties met elkaar te vergelijken zijn omdat ze bepaalde eigenschappen met elkaar delen. Neem de volgende redenering: "In Nederland zal ook onderzoek moeten worden gedaan naar matchfixing, want in andere Europese landen gebeurt dit ook". Deze redenering veronderstelt dat "Nederland" gelijk is aan "andere Europese landen". Dit lijkt niet onlogisch. Een vergelijking tussen Europese landen lijkt verdedigbaar. Anders wordt het in de redenering "Homoseksuele stellen zouden kinderen moeten kunnen adopteren want heteroseksuele stellen mogen dit immers ook". Hier vraagt de vergelijking al meer van de toehoorder. Is een homoseksueel stel gelijk aan een heteroseksueel stel? Nog lastiger wordt het in de redenering "Aan de zuidkant van ons dorp mag geen viaduct komen want aan de noordkant mocht dit immers ook niet". De meeste mensen zullen direct aanvoelen dat dit te kort door de bocht kan zijn. Is de zuidkant van het dorp direct te vergelijken met de noordkant van een dorp? 

2. Je moet gelijke gevallen gelijk behandelen
De tweede aanname is nauw hieraan gerelateerd. De veronderstelling in een argumentatie op basis van analogie is dat je gelijke gevallen gelijk moet behandelen. Als je geconstateerd hebt dat twee gevallen gelijk zijn dan moet je deze ook op dezelfde manier behandelen. Dit maakt deze vorm van argumenteren zo krachtig. Eén van de eisen die we namelijk aan argumentatie stellen, is dat we consistentie in iemand overtuigingen verwachten. Veel mensen kunnen nog begrip opbrengen voor de argumenten van een ander maar als een ander inconsistent argumenteert - dus bij vergelijkbare gevallen tot andere uitkomsten redeneert - dan vinden we dit niet juist. 

Praktische relevantie? Wees kritisch en stel de juiste vragen
Een analogie-argumentatie komt vaak erg overtuigend over. Toch zul je een aantal kritische vragen stellen. Dit betreft de feiten als de analogie (en de hieronder liggende aannames). Ik neem de redenering:

Aan de noordkant van ons dorp mag geen viaduct komen
Dus aan de zuidkant van ons dorp mag ook geen viaduct komen

Kritische vragen ten aanzien van de feiten:
- Mag aan de noordkant van het dorp inderdaad geen viaduct komen?
- Is er aan de noordkant van het dorp al geen viaduct? (het ligt voor de hand dat dit niet zo is, maar wees kritisch)
- Is er aan de zuidkant van het dorp al geen viaduct? (idem)

Kritische vragen ten aanzien van de vermeende analogie:
- Is de noordkant van het dorp wel te vergelijken met de zuidkant?
- Wat is dan concreet datgene wat ze met elkaar delen waardoor ze met elkaar te vergelijken zijn? In dit geval is het enige dat beide gevallen met elkaar delen dat dit hetzelfde dorp betreft.
- Is datgene wat ze delen wel relevant voor de conclusie die getrokken wordt? Dat lijkt hier mis te gaan. Het feit dat het hier om een en hetzelfde dorp gaat, zal niet overtuigen.
- Zijn er eigenschappen die beide gevallen wel met elkaar delen maar die ze onvergelijkbaar maken? Dit raakt de toereikendheid van de argumentatie. Deze vraag is hier niet relevant.
- Zijn er eigenschappen die beide gevallen niet met elkaar delen en die ze onvergelijkbaar maken? Waarschijnlijk wel. Denk aan bebouwing, natuur, et cetera. Het argument is niet toereikend.
- In het algemeen en meer filosofisch: moet je altijd gelijke gevallen gelijk behandelen?

Wees in ieder geval op je hoede als iemand een analogie gebruikt. Soms zal de vergelijking relevant zijn maar soms ook niet.

Verzwegen argument (definitie en uitleg)

Verzwegen argument
Indien iemand de ander van een bepaald standpunt wil overtuigen dan worden hier normaal gesproken argumenten voor aangedragen. Zonder argumenten worden namelijk maar weinig mensen overtuigd van een standpunt. Het probleem is echter dat als iemand met argumenten probeert een ander te overtuigen dat toch nog soms zaken onbenoemd kunnen blijven.Er is dan sprake van een niet-volledige argumentatie of redenering. Er zijn dan elementen in de argumentatie verzwegen. In dit artikel een uitleg van de meeste voorkomende versie van het verzwegen argument.

Context
In de regel - zeker in het dagelijkse taalgebruik - zal het vaak voorkomen dat in een argumentatie iets verzwegen wordt. Dit is ook prima. Het maakt het gebruik van een taal namelijk een stuk efficiënter. Het verzwijgen van zaken hoeft om die reden ook niet slecht te zijn. Laat ik een voorbeeld geven van een kleine redenering waarin iets verzwegen is.

Voorbeeld
"Derksen is een waardeloos politicus want hij komt nooit na wat hij gezegd heeft."

Het standpunt in deze uitspraak is: Derksen is een waardeloos politicus. Het argument in deze uitspraak is: want hij komt nooit na wat hij gezegd heeft. Maar overtuigt dit je? Misschien wel, misschien niet. Dit zal afhankelijk zijn of je de politicus Derksen kent en of je weet of hij zijn afspraken nakomt. Maar ook zonder dat je de waarheid van deze beweringen kent, snap je hopelijk wel wat gezegd wordt. Waarvan de ander je wil overtuigen. Dat Derksen een waardeloos politicus is.

Toch is iets verzwegen. Van bovenstaande uitspraak kan de spreker je enkel overtuigen als je het ook eens bent met de algemene norm die aan de redenering ten grondslag ligt: Zonder deze verzwegen norm gaat het argument niet op. In dit voorbeeld is de verzwegen norm:

"Als een politicus niet nakomt wat hij heeft gezegd, dan is het een waardeloos politicus."

 Het kan zelfs nog algemener:

"Als iemand niet nakomt wat hij heeft gezegd, dan is deze persoon als waardeloos te kwalificeren." 

Of nog algemener:

"Je hoort na te komen wat je zegt."

Deze laatste versie is misschien zelfs wel te algemeen omdat er niets meer wordt gezegd over dat zoiets iemand "waardeloos" maakt. Maar hopelijk is het je wel duidelijk dat een norm als deze wel aan de redenering ten grondslag ligt.

Verzwegen norm / rechtvaardiging
Deze norm wordt ook wel de rechtvaardiging genoemd. Het is de algemene norm die de conclusie - gezien datgene wat beweert wordt - doet rechtvaardigen:


Deze norm wordt - zoals ook uit het voorbeeld reeds blijkt - vaak niet uitgesproken. Het zou vreemd zijn als iemand in de praktijk zou zeggen:

"Derksen is een waardeloos politicus want hij komt nooit na wat hij gezegd heeft en zoals je weet is iedereen die niet nakomt wat hij heeft gezegd waardeloos"

Verzwegen argument
In de praktijk wordt deze verzwegen norm ook wel het verzwegen argument genoemd. Helemaal correct is dit niet omdat enkel de norm in het argument is verzwegen. Je ziet dus wel een argument maar deze is niet volledig. Het bestaat enkel uit een bewering (in ons voorbeeld: hij komt nooit na wat hij gezegd heeft).

Verzwegen argument vinden
Hoe vind je nu het verzwegen argument? Dit is niet lastig. Zet hiervoor de volgende twee stappen:

Stap 1
Je moet om te beginnen een beetje spelen met argument en standpunt. Om de verzwegen norm te vinden zet je het argument en de conclusie achter elkaar in een als-dan-redenering. Doe dit op de volgende manier: als [het argument is het geval] dan [de conclusie is het geval].

In ons voorbeeld:

als de politicus Derksen komt nooit na wat hij gezegd heeft (argument) dan Derksen is een waardeloos politicus (conclusie)

Stap 2
Deze zin ga je vervolgens abstraheren naar een algemene zin:

Als een politicus nooit nakomt wat hij gezegd heeft, is het een waardeloos politicus.

Kritische vragen
Waarom is dit nu relevant voor de praktijk? Als je weet wat het verzwegen argument is, weet je ook welke kritische vragen je kunt stellen. Vragen die rechtstreeks volgen uit het verzwegen argument, of beter: de verzwegen rechtvaardiging. Deze vragen zijn:

1. Waarop is deze norm gebaseerd? Is het een juridische norm? Blijkt de norm uit sociaal-wetenschappelijk onderzoek? Of is het een puur subjectieve (eigen) norm? In het algemeen: waarom zou je deze norm aanvaarden?

In ons voorbeeld zou je de kritische vraag stellen: is er wel ondersteuning voor de uitspraak dat je kunt spreken van een slecht politicus als deze zijn afspraken niet nakomt?

2. Is er geen tegenvoorbeeld te bedenken waarbij de norm niet opgaat?

In bovenstaand voorbeeld: hoort een politicus echt altijd zijn afspraken na te komen? Zijn hier geen uitzonderingen op te bedenken?

Vragen, verbeteringen, aanvullingen? Welkom!

De 5 kritische vragen bij de als-dan redenering.

THEORIE
Vraag
Is een als- dan redenering nevenschikkend of onderschikkend?
En welke kritische vragen kun je stellen?

Antwoord
Deze vragen kreeg ik vandaag voorgelegd. Nu is de eerste vraag niet helemaal goed gesteld. Bedoeld wordt waarschijnlijk tot welke argumentatiestructuur je een als-dan redenering kunt herschrijven? Het antwoord is niet lastig, namelijk tot een nevenschikkende argumentatie.

Een als-dan-redenering gaat als volgt (het voorbeeld is willekeurig gekozen; het gaat er eigenlijk even niet om of je het met de inhoud van de argumentatie eens bent):

Als je liberaal bent, moet je op de VVD stemmen. 
Jan is liberaal 
------------------------------------------------------------------ 
(dus) Jan moet op de VVD stemmen. 

Deze als-dan-redenering kun je in een aantal stappen omzetten naar een argumentatiestructuur. Eerst maak je een redenering waarbij het standpunt voorop staat:

Jan moet op de VVD stemmen, want hij is liberaal (en als je liberaal bent, moet je op de VVD stemmen).

Dit kun je vervolgens in een argumentatiestructuur zetten:

S. Jan moet op de VVD stemmen
1a. (want) Jan is liberaal 
1b. (en) Als je liberaal bent, moet je op de VVD stemmen. 

De als-dan-redenering kun je dus herschrijven tot een nevenschikkende argumentatie, namelijk de derde versie (klik hier) van de vier versies van nevenschikkende argumentaties die ik eerder heb beschreven.

Kritische vragen bij de als-dan redenering
Maar waarom is dit nu relevant? Omdat je bij een nevenschikkende argumentatie (van deze vorm) als bij een als-dan-redenering dezelfde kritische vragen kunt stellen. Namelijk:

T.a.v. de aanvaardbaarheid van de als-dan-regel:
1. Klopt de algemene als-dan-regel wel? Concreet, is het echt zo dat als je liberaal bent, dat je dan op de VVD moet stemmen)
2. Is er ondersteuning voor de als-dan-regel? Concreet, is er ondersteuning - bijvoorbeeld door onderzoek - waaruit blijkt dat echte liberalen op de VVD stemmen?

T.a.v. de aanvaardbaarheid van de feitelijke beweringen:
3. Klopt de bewering? Concreet, is Jan echt liberaal?

T.a.v. het gebruikte argumentatieschema:
Het schema dat hier gebruikt is, is de kentekenrelatie. Het is tekenend voor een liberaal dat je op de VVD moet stemmen. Een vaste eigenschap van liberaal-zijn is dus stemmen op de VVD (in dit voorbeeld). Vragen die je dan kunt stellen raken de relevantie en toereikendheid:
4. Is liberaal-zijn inderdaad relevant om VVD te stemmen?
5. Is liberaal-zijn al toereikend om VVD te stemmen? Of kun je als liberaal ook op andere partijen stemmen?

De argumentatieve indicator

Om vast te stellen of je te maken hebt met een oordeel en hoe deze onderbouwd wordt, kan het helpen om op zoek te gaan naar argumentatieve indicatoren. Dit zijn woorden die je laten zien dat en hoe iemand redeneert of betoogt. Een argumentatieve indicator geeft letterlijk "een indicatie af dat er geargumenteerd wordt". Het is een indicatie dus helemaal zeker is het nog niet. Maar als je een argumentatieve indicator ziet, is er wel een grote kans dat er sprake is van argumentatie [1].

De bekendste indicatoren zijn waarschijnlijk de woorden 'want' en 'dus'. Iemand vindt iets, ... want … en dan volgt het argument. De tegenhanger van want is dus. Eerst komt een argument en vervolgens het standpunt.

Voorbeeld
Want: Jan heeft vast veel zwemervaring want hij sprong zo in het water.
Dus: Jan sprong zo in het water, dus hij heeft vast veel zwemervaring.

Argumentatieve indicatoren in mondelinge betogen
In schriftelijke betogen en redeneringen is het vaak niet lastig om de argumentatieve indicatoren te vinden. Ze worden vaak expliciet verwoord. Indien iemand een oordeel mondeling uitspreekt, kan dit lastiger zijn. Bij mondelinge betogen kan namelijk ook door een bepaalde manier van spreken - intonatie - in combinatie met de context duidelijk worden gemaakt dat en hoe geargumenteerd wordt. De indicatoren worden dan niet expliciet uitgesproken.

Voorbeeld
Als iemand laat op een feestje zegt: “Het is tijd om te gaan. Ik moet morgen vroeg op.” dan zal dit anders worden geïnterpreteerd dan wanneer iemand dit overdag uitspreekt op een booreiland in de wetenschap dat de volgende dag een helikopter zal komen om mensen naar het vaste land te brengen. Het argument in het eerste geval is “Ik moet morgen vroeg op” bij het standpunt “Het is tijd om te gaan”. Met andere woorden, onze feestganger zegt: “Het is tijd om te gaan want ik moet morgen vroeg op.” In het tweede geval is het argument waarschijnlijk “Het is tijd om te gaan” bij het standpunt “Ik moet morgen vroeg op” Met andere woorden, de man op het boordeiland zal bedoelen “Ik moet morgen vroeg op want het is tijd om te gaan.”

Overzicht argumentatieve indicatoren
Dit zijn de meest voorkomende argumentatieve indicatoren:




Argumentatieve indicatoren
Een argument volgt op:
Een standpunt volgt op:
want …
dus …
omdat …
ergo …
aangezien …
concluderend dat …
overwegende dat …
zijn we van oordeel dat …
vanwege …
adviseer ik om …
zodat …
besluiten we dat …
  
Hieronder vind je van deze indicatoren nog meer voorbeelden aangevuld met nog enkele andere indicatoren. Maar let op: als je een bepaald woord of bepaalde woorden ziet, wil dit niet per definitie zeggen dat je met een redenering hebt te maken. Het geeft je wel een belangrijke indicatie.

Voorbeelden
Een argument volgt op meestal op:
  • aangezien ("Ik stem op Jansen aangezien hij betrouwbaar overkomt.") 
  • daar ("Ik stem op Jansen daar hij betrouwbaar overkomt.") 
  • immers ("Ik stem op Jansen. Hij komt immers betrouwbaar over.") 
  • namelijk ("Ik stem op Jansen. Hij komt namelijk betrouwbaar over.") 
  • omdat ("Ik stem op Jansen omdat hij betrouwbaar overkomt.") 
  • om ("Om er zeker van te zijn dat enkel een betrouwbaar politicus aan de macht komt, zal ik op Jansen stemmen.") 
  • om reden dat / met de reden ("Ik stem op Jansen om reden dat hij betrouwbaar overkomt.") 
  • vanwege ("Ik stem op Jansen vanwege zijn betrouwbare voorkomen.")
  •  want ("Ik stem op Jansen want hij komt betrouwbaar over.")
  •  zodat ("Zodat ik er zeker van ben dat een betrouwbaar politicus aan de macht kom, zal ik op Jansen stemmen.")



Meestal volgt een standpunt op:
  • besluiten we (dat) ("Jansen komt betrouwbaar over. Ik besluit om op hem te stemmen.") 
  • bijgevolg ("Ik ben niet bevoegd van de vorderingen in de hoofdzaak en bijgevolg van de incidentele vordering kennis te nemen.")
  • concluderende dat / concluderen ("Ik concludeer dat Jansen een betrouwbaar politcus is.")
  • daardoor ("Ik was betrokken bij een ongeluk. Daardoor kon ik niet meer stemmen."). (Zie ook taaladvies voor het verschil tussen daarom en daardoor (klik hier). Sommige auteurs beschouwen deze zin geen argumentatie maar een verklaring.) 
  • daarom ("Jansen komt betrouwbaar over. Daarom stem ik op hem.") 
  • denken dat (sprake is van) ("Jansen komt betrouwbaar over. Ik denk dat ik op hem ga stemmen.")
  • derhalve ("Jansen komt betrouwbaar over. Derhalve lijkt hij mij geschikt om op te stemmen.") 
  • dientengevolge ("Jansen heeft jarenlang fraude gepleegd. Dientengevolge heb ik geen andere keus dan hem niet te vertrouwen.")
  • dus ("Jansen komt betrouwbaar over dus ik ga zeker op hem stemmen.") 
  • ergo ("Jansen komt betrouwbaar over. Ergo: ik stem op hem.")
  • oordelen wij / veroordelen (dat) ("Om bewezen is dat verdachte dit gedaan heeft, oordeelt de rechter dat hij schuldig is.") 
  • overtuigd zijn dat ("Ik ben ervan overtuigd dat Jansen betrouwbaar is. Hij is immers nog nooit met de politie in aanraking gekomen.")  
  • overwegende dat ("Overwegende dat hij betrouwbaar overkomt, zal ik zeker op hem stemmen.") 
  • stellen wij (dat) ("Ik durf te stellen dat hij betrouwbaar is. Hij is nooit met justitie in aanraking gekomen.")

Als het eenmaal duidelijk is wat het argument is en wat het standpunt kun je de argumenten verder bevragen. Dit door te onderzoeken wat er allemaal in de argumenten beweerd wordt. Binnen de argumentatieleer worden dit ook wel de premissen genoemd.
 

__________

[1]
Omdat de indicatoren eigenlijk aangeven dat er geredeneerd wordt (en lees hier meer over de overeenkomst en het verschil tussen redeneren en argumenteren) zouden de indicatoren misschien eerder redenerende indicatoren moeten heten. Binnen de argumentatieleer / argumentatietheorie (misschien ook al niet volledig qua woord) wordt deze indicatoren echter argumentatieve indicatoren genoemd.