Twitter Facebook RSS Feed Email
Posts tonen met het label Algemeen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Algemeen. Alle posts tonen

Excuus aan wie ik ontvolgd heb?

Beste Twitteraar,

In alle eerlijkheid werd ik wat moedeloos van het Eurovisie Songfestival. Mijn tijdlijn op Twitter stond vol berichten over het festival en berichten die mij meer interesseerden sneeuwden onder. Nu kan dat natuurlijk gebeuren. Er vinden namelijk soms evenementen of gebeurtenissen plaats die op Twitter - of op een ander medium - om alle aandacht vragen. Logisch dat mensen hierover berichten. Een tsunami, een belangrijke voetbalpot, de dood van een bekend persoon. Prima. Het probleem was echter dat het dit keer het Eurovisie Songfestival betrof.

Het festival kan mij weinig boeien. Nu is dit subjectief, maar na jaren (buur)landen te hebben gezien die elkaar punten gaven, ben ik afgehaakt om nooit meer terug te komen. En toen ik vanochtend las dat België en Nederland elkaar 12 punten hadden gegeven, werd dit weer bevestigd (inderdaad, rationaliseren?). Maar waarom kijken al die mensen toch, zo vroeg ik mij - en anderen aan mij - vertwijfeld af. En nog erger: waarom al die berichten op Twitter onder #esf. Ook de verklaring van Heijne rechtvaardigde het niet voor mij. Stop!

Ik las een bericht van de filosoof Ger Groot (@GrootGer):


De enige gepaste reactie?

Nu heb ik meerdere twitteraccounts om onderscheid te kunnen maken in mijn verschillende interesses (die ook nog eens ver uit elkaar liggen). Een aantal accounts zijn hierdoor vrij specialistisch van aard en dat zie je terug in de volgers. Het betreffen veelal andere liefhebbers: (internationale) specialisten binnen het domein waarbij we hetzelfde nieuws volgen. Zelden zie je iemand van buiten, ook niet als ik de volgers van mijn volgers bestudeer. Enige kruisbestuiving vind niet plaats. Gelijk de stamvorming die je onder academische filosofen ziet, zou de filosoof Solomon zeggen. Dit is echter misschien niet wenselijk.

Ik geloof namelijk uiteindelijk in het idee dat je open moet blijven staan voor de ideeën van anderen. Dat dit zelfs goed is voor de democratie gelijk Haring stelt. De ideeën van anderen kunnen ons verreiken. Dit heeft tegelijkertijd iets 'wederkerigs'. Mensen gaan niet vanuit het niets zoeken naar ontwikkelingen binnen het fiscaal recht, kastanjebomen, de situatie in Syrië of welk ander willekeurig onderwerp dan ook dat iemand interesseert of raakt. Laat staan dit volgen op Twitter of bijvoorbeeld facebook. Daarvoor is eerst een andere ingang nodig. Een ingang die een andere interesse van mensen raakt en die we "delen". Hoe irrationeel ook. Om vervolgens ook even de situatie in Syrië te benoemen. 

Terug naar een van mijn interesses: de kritische houding. Ontwikkel je een kritische houding nu juist met een #esf of tegen de #esf? En waarom zouden kritische mensen niet van het Eurovisie Songfestval kunnen houden? Misschien is meedenken inderdaad lastiger dan wordt gedacht. En misschien had @GrootGer wel meer volgers erbij gehad als hij wel over de #esf had bericht. En hadden hierdoor zijn andere - vaak interessante berichten - nog meer mensen bereikt. Maar hoe eerlijk is dat? Lastig.

Juristen op het snijvlak van recht en ethiek. Is er een morele rechtvaardiging voor martelen?

Moeten juristen zich uitlaten over de morele rechtvaardigheid van martelen? Een lastige (morele) vraag. Hierbij speelt mee dat de vraag of martelen van mensen (soms) moreel te rechtvaardigen is, zich niet makkelijk laat beantwoorden. Dit veronderstelt een aparte expertise (schoenmaker jurist, blijf bij je leest). Anderzijds lijkt de normatieve beoordeling van martelen direct verbonden te zijn aan de jurist. Dit werd - zie een eerdere posting - opnieuw duidelijk na de 'vondst' van Osama Bin Laden. Een aantal juristen sprak zich n.a.v. dit voorval ook uit over de morele rechtvaardiging van martelen. Om beslagen ten ijs te komen, in deze posting daarom een aantal belangrijke argumenten uit 'het folteringsdebat'.

Over het uitgangspunt bestaat weinig twijfel. Of dit bijvoorbeeld via het harm-principle van Mill, de prima-facie-verplichtingen van Ross (niet schaden) of het menswaardigheidsdenken van Kant loopt, de meeste ethici zullen het erover eens zijn dat het uitgangspunt is dat je de ander geen kwaad doet. Martelen is in beginsel (direct een lastig begrip) niet juist. Wie dit wel doet, heeft zich dus te verantwoorden.

Maar kan martelen gerechtvaardigd worden? Dit is een vraag die volgens sommige ethici (particularisten) om te beginnen niet in generieke zin is te beantwoorden. Zij stellen dat ieder geval anders is en dit maakt terughoudendheid geboden bij het beantwoorden van de vraag in algemene zin. Het vinden van algemene principes is niet mogelijk. Dus, stellen dat martelen in algemene zin ethisch wel of niet te rechtvaardigen is, is niet juist. Enkel de vraag of martelen ethisch gezien in een incidenteel geval gerechtvaardigd kan worden, valt te beantwoorden. Dus enkel t.a.v. een concrete situatie kan worden bepaald of de handeling moreel de juiste was.

Waarom moeten we naar een concrete situatie kijken? Of we nu kijken naar de intenties van het handelen of de mogelijke gevolgen: specifieke variabelen maken de ene situatie anders dan de andere. Hiermee ook de morele afweging, zo is de stelling. Alleen al het soort informatie dat verkregen moet worden, kan een verschil maken in qua morele rechtvaardiging. Concreet: indien terreurverdachten enkel werden gemarteld om Osama te vinden (bijvoorbeeld de koerier, waarschijnlijk niet waar) dan denken veel mensen anders over de uitkomst dan wanneer iemand wordt gemarteld in een zogenaamde ticking-bomb-case. Maar er zijn kenmerken die een afweging anders kan doen uitvallen.

Deze specifieke kenmerken kunnen van velerlei soort zijn. Het martelen kan – naast meer de oprechte motieven – bijvoorbeeld ook ingegeven zijn uit wraakgevoelens. Ook machtmisbruik of gevoelens van vernedering spelen soms mee (denk aan de voorvallen in de Abu Ghraib). Daarnaast spelen vaak politieke motieven. Martelen/folteren wordt in het publieke debat vaak door politici aangehangen omdat dit een teken van kracht, kordaatheid en oplossingsgerichtheid toont. Welke politicus wil dit niet uitstralen. Dit maakt het lastig – zo stellen particularisten – om in algemene zin over de morele rechtvaardigheid van martelen te spreken. Het kunnen toepassen van algemene principes is uitgesloten. Kunnen we in morele zin dan niets zeggen?

Het gevolg is eigenlijk dat twee scenario’s overblijven:
(1) we leggen de kritiek van de particularist terzijde en gaan toch over op algemene richtlijnen (we komen dat bij beginselethiek of gevolgenethiek), of
(2) we gaan met het particularisme als uitgangspunt de morele juistheid van een concrete situatie onderzoeken.

Nu is binnen de ethiek de eerste scenario het meest gangbaar. Meest prominent betreft dit het beginselethisch denken van Kant en het utilisme van Bentham/Mill. Indien we dan het martel-vraagstuk ter hand nemen, wordt vaak deze tweedeling gemaakt. Laten we de ticking-bomb-scenario gebruiken. Dit is een gedachte-experiment waarbij een terrorist, bijvoorbeeld, in New York een bom heeft achtergelaten die bij ontsteking 200.000 doden tot gevolg heeft. De vraag die het experiment ons stelt, is of je de terrorist mag martelen om de vindplaats te achterhalen. Velen veronderstellen dat een utilist zal concluderen dat martelen in dit geval moreel te rechtvaardigen is. Er kunnen dermate veel levens worden gered dat één opgegeven leven dit rechtvaardigt. In algemene zin: het gevolg is dermate positief t.o.v. het negatieve dat dit de actie moreel juist maakt. Een tegenovergestelde positie is echter die van de beginselethicus.

De beginselethicus – als we al hierover kunnen spreken – zal stellen dat bepaalde algemene richtlijnen (verplicht) moeten worden gevolgd ondanks de uitkomst. Dit vanuit de plicht het goede te doen. Het goede niet als gevolg maar als handelen vanuit een goede intentie of wil. Dit omvat voor veel beginselethici het vooropstellen van menswaardigheid (bijvoorbeeld bij de Duitse filosoof Kant) of eerbied voor het leven. Aangezien martelen tegen onze plicht gaat de ander menswaardig te behandelen, moeten we dit afkeuren. Ondanks dat het soms lijkt dat de gevolgen erg positief uitvallen (bijvoorbeeld in termen van maatschappelijk nut of geluk voor velen). Ook bij andere, meer gematigde versies van beginselethische theorieën zien we deze uitkomst.

Dat er toch redenen kunnen zijn om ook de gevolgen mee te wegen, lijkt anderzijds redelijk. Eén iemand doden om de hele wereld te redden? Weinig mensen zien morele bezwaren in dit extreme geval en hebben om deze reden moeite met het starre beginselethisch denken. Nu is niet iedere beginselethische theorie zo strikt, maar dat ook de mogelijke gevolgen moeten worden meegewogen in een morele afweging – zoals bij het utilisme – lijkt niet vreemd. Een goede reden om de eerder gemaakte conclusie vanuit het utilisme nader te onderzoeken. Klopt het dat vanuit een utilistisch perspectief martelen (soms) gerechtvaardigd kan worden? Om drie redenen zou dit toch te kort door de bocht zijn.

De eerste vraag is of het wel mogelijk is om voor de utilist een morele grens te trekken. In een simplistische versie van het utilisme is de grens natuurlijk makkelijk te trekken. De vraag is dan enkel voor hoeveel mensen het martelen voordeel oplevert en hoeveel mensen nadeel ondervinden van het martelen. Dit lijkt een duidelijk criterium. Eén iemand martelen om 100 mensen te redden? Prima. Om 10 mensen te redden? Kan ook nog. Meer mensen lijken voordeel te hebben. Maar wat als we twee mensen kunnen redden door één persoon te redden? Hoe valt dan de afweging uit? Wat als niet gemarteld wordt om mensen te redden maar enkel om informatie te krijgen over in aanbouw zijnde nucleaire installaties waarvan onduidelijk is waarvoor ze gebruikt gaan worden? Nog lastiger. Een hieraan gerelateerd vraagstuk is wat precies moet worden verstaan onder voordeel-genieten-van. Of in utilistische termen: wat is precies maatschappelijke nut? De utilitarian gameshow komt in beeld: stel de hele samenleving geniet en floreert met een gameshow waarin één iemand via verschillende spellen zijn einde tegemoet gaat. Miljoenen kijkers, iedereen heeft het erover (te vergelijken met de collectieve gekte rond voetbal). Is het opofferen van deze ene persoon moreel te rechtvaardigen? Bepaalde versies van het utilisme lijken dit wel te impliceren. Welk voordeel wordt hier precies nog genoten?

Een tweede probleem bij een utilistische afweging ten aanzien van martelen is dat lang niet eenduidig is welke lange-termijn-gevolgen meegewogen moeten worden. Na de dood van Osama hebben een aantal juristen (!) erop gewezen dat het vermoorden van Osama – in plaats van hem voor het strafhof te brengen – bepaalde groepen zou bevestigen in het eenzijdige rechtvaardigheidsdenken van het Westen. Hoge morele en juridische beginselen lijken ineens niet meer te gelden? Onder andere Dr. Curtis F.J. Doebbler wees op dit punt:
While powerful Western leaders have slaughtered millions of Iraqis and Afghanis with impunity; while Israel continues to carry out genocide against the Palestinians in full view of the world; while NATO continues to bomb the people of Libya irrespective of the UN Charter; the West is now celebrating the death of someone who, however misled and wrong-minded, was a person who was willing to fight for the poorest and the most vulnerable people in the world to the very end of his life. That the US had to kill him in violation of international law lends credibility to Osama Bin Laden's claims of Western hypocrisy and the need for a better alternative.
Een derde reden waarom een utilistische ethiek niet direct de morele omarming van martelen inhoudt, is nauw verbonden aan het eerder beschreven particularistisch denken. Als één keer martelen al te rechtvaardigen zou zijn, dan laat onderzoek zien dat dit zeer mogelijk kan omslaan in hernieuwd martelen om minder nobele motieven. Een “cultuur van wreedheid” kan ontstaan zonder enige kritische reflectie op de juistheid van elkaars handelen. Experimenten als het Standford-prison-experiment hebben aangetoond hoe beperkt wij als mens kunnen zijn. Dit kan reeds – ook voor de utilist – reden zijn om niet te martelen.

Om deze redenen is het ook maar de vraag of het utilisme – of meer in het algemeen een gevolgenethische theorie – per definitie martelen moreel zou rechtvaardigen.

Een moreel oordeel begint echter bij geïnformeerd zijn en de daarbij behorende kritische houding ten aanzien van de feiten. We zien dan dat de vraag of martelen of folteren moreel te rechtvaardigen is als vooronderstelling kent dat martelen werkt (indien dit gedaan wordt om informatie te verkrijgen). Intuïtief lijkt deze vooronderstelling de juiste: natuurlijk werkt het. Mark Fallon, een special agent die na '9/11' het strafrechtelijk onderzoek naar Al-Qaeda leidde, stelt van niet en probeert onze intuïtie te beroeren via een aantal vragen:
- Als martelen werkt, waarom heeft het dan tot 2011 geduurd voordat we de juiste info hadden?
- Hoe weten we nu wanneer iemand de waarheid de spreekt als we de persoon vaker martelen (Khalid Sheik Mohamed, zelfverklaard brein van '9/11' werd 183 keer aan waterboarding onderworpen; na welke foltering sprak hij de waarheid?)
- Hoe weten we dat door de druk onze hersenen niet sowieso dermate getroffen zijn dat de waarheid lastig is vast te stellen?

Fallon’s conclusie: enkel empathie werkt (maar vindt maar een politicus die dit durft uit te dragen). Het toont ons echter wel een betere handelingsoptie die de vraag of we martelen ethisch moeten toestaan reeds van te voren uitvlakt. Stéphane Hessel, in Indignez-vous, volgt een vergelijkbare weg (steunend op de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens):
“Daar zou ik aan willen toevoegen dat geweldloosheid een betrouwbaarder middel is om het [terroristisch geweld] te doen ophouden.”

Ik herschrijf de stelling:

Recht en ethiek lijken in hun antwoord op de vraag of martelen te rechtvaardigen is, dichter bij elkaar te liggen dan gedacht. Er is eerder een groeiend verschil tussen politiek en recht/ethiek. Onder andere het particularisme, de beginselethiek, het utilisme als het kritisch denken geven (fundamentele) bezwaren en argumenten die niet vreemd zijn aan het recht. Enkel om deze reden al kan een jurist Internationaal Recht zonder zorg zich over dit onderwerp uitlaten. Juist om weerstand te bieden tegen een opkomend korte termijn-politiek denken.

Argumenteer!

• 'Bin Laden niet dankzij martelen gevonden', , 03-05-2011
• Ticking time bomb scenario, Wikipedia (en)
• Abu Ghraib torture and prisoner abuse, Wikipedia (en)
• Moral Particularism, Plato (Standford)
• The Illegal Killing of Osama Bin Laden, Jurist.org, 05-05-2011
• Stanford Prison Experiment, Prisonexp.org
• Als martelen werkt, waarom duurde het zo lang?, NRC (abonnee), 05-05-2011
• De jurist en Osama Bin Laden. Tussen rechtvaardigheid en rechtmatigheid (deel 1), Rechtsethiek.nl, 08-05-2011

De houdbaarheid van het emotivisme

Sommige beroepsbeoefenaren lijken soms de neiging om als laatste verdedigingspoging in een discussie een vorm van emotivisme te omarmen. Kort door de bocht: 'Ik heb er nu eenmaal een goed gevoel over' of 'Mijn gevoel zegt dat het niet goed is.' Omdat niet altijd helder is wat precies met het emotivisme wordt bedoeld en of deze uitspraken inderdaad een vorm van emotivisme zijn, volgt hier een korte inleiding in het emotivisme.

Emotivisme

Ayer: expressie van emoties
Het emotivisme is een meta-ethische theorie die stelt dat morele oordelen uitspraken zijn die een bepaald gevoel van goedkeuring of afkeuring uitdrukken en niet zelf als zodanig waar of onwaar kunnen zijn (non-cognitivistisch).

Twee onderwerpen vragen direct om een toelichting:
(1) Het emotivisme is een vorm van non-cognitivisme: (ook) het emotivisme stelt namelijk dat morele uitspraken geen beweringen zijn met een waarheidsgehalte. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld de feitelijke uitspraak 'In deze stad zijn vijf advocatenkantoren' die wel een bewering is die waar of onwaar kan zijn (kwestie van tellen).
(2) Ook belangrijk is het om in te zien dat het emotivisme niet een theorie is die voorschrijft hoe mensen moeten handelen maar enkel een theorie is die beschrijft wat morele uitspraken betekenen (om die reden: meta-ethisch).

Kort weergegeven stelt het emotivisme dus dat als iemand aangeeft iets moreel goed of slecht te vinden hiermee enkel zijn of haar gevoelens uit. 'Ik vind het gedrag van jurist x moreel niet juist', is eigenlijk een nette manier van zeggen van 'Jurist x, aaaargh...' of 'Jurist x, bah....'. Of als gezegd wordt dat het gedrag van jurist x positief moet worden gewaardeerd dan is dit niet meer dan een correcte manier van zeggen van 'Jurist x, mmmmm'. Dit is het standaard-emotivisme van Ayer (1946:107): morele oordelen zijn uiteindelijk enkel te herleiden tot een kwestie van gevoel. We zien hier overeenkomsten met de student die aangeeft dat zijn of haar oordeel enkel een kwestie van gevoel is (al zijn er ook verschillen: volgens de emotivist is ieder moreel oordeel te herleiden tot emotie; bij de student is het vaak eerder een laatste redmiddel in een particuliere discussie).

Morele discussies?
Het gevolg van het zien van morele oordelen als het uiten van gevoelens is, zo stelt Ayer, dat als we een morele discussie hebben dit niet het resultaat is van tegengestelde oordelen maar enkel het gevolg is van tegenstrijdige gevoelens.

Stevenson: expressie en evocatie
Het emotivisme van Stevenson (1970:190) gaat nog een stap verder en stelt dat naast het expressieve karakter van de uitspraak (het gevoel wordt verwoord) een morele uitspraak ook een evocatief karakter heeft: het dient tevens de toehoorder te beïnvloeden. Een morele uitspraak is volgens Stevenson dus suggestief van aard en is hiermee gericht op het naar de gewenste richting leiden van de toehoorder. 'Ik vind het gedrag van jurist x niet goed' staat voor 'Gedrag jurist x, bahhhh, booeehh, doe met me mee... vind dit ook... boeh...'.

Morele uitspraken vs feitelijke uitspraken
Morele uitspraken verschillen hiermee als gezegd van feitelijke uitspraken. De uitspraak 'de wereld is rond' is volgens de emotivist niet gelijk aan de uitspraak 'fraude is slecht'. Feitelijke uitspraken kunnen we namelijk controleren door onze waarneming terwijl dit met morele uitspraken - zo stelt het emotivisme - niet het geval is. Probeer maar eens waar te nemen dat 'fraude slecht is' (helemaal als fraude wordt gepleegd om een gezin te voeden dat anders niet zou overleven). Hoe neem je dit zintuigelijk waar? In deze gedachtegang ligt de kracht van het emotivisme: morele uitspraken drukken geen feiten uit maar drukken emoties uit. Veel mensen zullen zich hierin herkennen. Bijvoorbeeld als de afschuw van bepaalde "vleesfabrieken" mensen aanzet tot het kopen van biologisch vlees of vegetarische producten. Het tweede positieve aspect is dat het emotivisme ook laat zien dat we de wereld om ons heen proberen te beïnvloeden; ook emotioneel.

Dit betekent volgens Ayer dan ook dat het morele oordeel "Die jurist heeft fout gehandeld doordat hij geld heeft gestolen" inhoudelijk niets toevoegt aan de uitspraak "Die jurist heeft geld gestolen". De uitspraak "Geld stelen is fout" heeft namelijk geen feitelijke betekenis. De eerste zin drukt enkel de persoonlijke afkeuring uit. Dit had ook non-verbaal kunnen worden uitgedrukt (vergelijk: 'Grrr... die jurist heeft geld gestolen!!!'). Dat het onbehagen bij de handeling hoort, kunnen we niet feitelijk vaststellen als waar of onwaar (hooguit dat het waar is dat iemand in concrete zin de emotie heeft). Morele oordelen zijn dus geen cognitieve uitspraken over emoties ('ik zie op de scan dat hij angstig is') maar enkel uitdrukkingen van emoties. De uiting van een emotie is niet voor niets heel anders dan het aangeven dat je de emotie hebt.

Bezwaren
Het belangrijkste bezwaar tegen het emotivisme is (1) dat als twee personen verschillende morele standpunten innemen hierover volgens het emotivisme geen discussie over kan bestaan. Het verschil kan namelijk niet worden verklaard: het is gevoel. Williams (1972:16) maakt de vergelijking met twee personen in een boot. De één zegt: 'ik word misselijk'; de ander zegt 'ik heb nergens last van'. Een discussie hierover zal weinig uithalen. Over waarom iemand koffie lekker vindt, is ook geen discussie mogelijk.

Daarnaast (2) kan het emotivisme niet verklaren welke emoties precies een rol spelen. Welke emoties zijn nu relevant voor onze morele oordelen? Enkel morele gevoelens? Dan raken we in een cirkelredenering. Het emotivisme ontbeert hierdoor enige fundering (MacIntyre, 1981:12).

(3) Ten derde kent het emotivisme van Stevenson een vreemd onderscheid: met een morele uitspraak kun je volgens de emotivist vaststellen (descriptief) dat iemand contextgevoelig een persoonlijk gevoel heeft om echter tegelijkertijd daarnaast een onpersoonlijke, niet contextgevoelige oproep te doen aan anderen ook zo te handelen (prescriptief/evocatief). Is dit niet inconsistent? (MacIntyre, 1981:13).

Een ander bezwaar (4) is dat de uiting van emotie in het algemeen juist niet verwoord wordt in een zin/uitspraak. Hier gaat het emotivisme echter wel vanuit. MacIntyre geeft het voorbeeld van de docent die naar één van zijn leerlingen briest: "maar zeven maal zeven is negenenveertig!!". De emotie en de betekenis van de zin zijn niet gelijk.

Enkele resterende bezwaren: (5) het emotivisme is met zichzelf in tegenspraak want waarom zou deze theorie ook niet meer zijn dan een ongefundeerd gevoel en (6) het emotivisme gaat uit van een wil tot kennisgeving die wezenlijk met de inhoud is verbonden waardoor zich een eis van algemene rechtvaardiging aandient; dit lijkt een universele waarheidsclaim te impliceren (Nagel, 2001).

Deze bezwaren laten ons zien dat als we het emotivisme accepteren we de inhoud van morele oordelen ook niet kritisch kunnen beoordelen. Voor velen een reden om het emotivisme niet als betekenistheorie te omarmen. Maar, zo stelt MacIntyre: helaas vertolkt het emotivisme wel de moderne zienswijze op ethiek: het is een kwestie van gevoel. Raes (2009:129) verwoordt MacIntyre:

Het morele moderne debat wordt dan ook gekenmerkt door de paradox dat iedere theorie zich als 'universeel' en 'onpersoonlijk' opwerpt terwijl tegelijkertijd ieder debat tussen diverse ethische stellingen onbeëindigd blijft. [...] Er blijkt in de moderniteit geen overeenstemming over de waarden mogelijk en wanneer iemand het in een debat (tijdelijk) 'haalt' dan komt dat niet door de argumentatieve kracht van zijn positie maar wel door zijn retorische mooipraterij. [...] Het emotivisme van Stevenson, dat morele waarderingen uitdrukt als uitdrukkingen van subjectivistische voorkeur, vertolkt dan ook bij uitstek de moderne zienswijze op ethiek.

Ethiek zonder emoties?
Nu moet de fout niet gemaakt worden dat - gezien de bezwaren tegen het emotivisme - emoties binnen de ethiek er dus niet toe doen. De relatie is volgens sommige ethici echter eerder andersom: een moreel oordeel kan de emotie rechtvaardigen en versterken. Dworkin (1977): 

We distinguish moral positions from emotional reactions, not because moral positions are supposed to be unemotional or dispassionate - quite the reverse is true - but because the moral position is supposed to justify the emotional reaction, and not vice versa. If a man is unable to produce such reasons, we do not deny the fact of his emotional involvement, which may have important social or political consequences, but we do not take this involvement as demonstrating his moral conviction.

Deugdenethici gaan vaak een stap verder: het gaat er juist om onze natuurlijke emoties te perfectioneren door het zoeken van het juiste midden. Moreel handelen zonder de juiste emotie is niet genoeg. Denk aan Sheldon in The Big Bang Theory die een bosje bloemen haalt omdat 'dit hoort volgens de sociale etiquette'. Is dit nu ethisch juist? Deugdenethici zoeken het juiste in gezamenlijke praktijken (bijvoorbeeld: rechtspreken, advocaat-zijn). Het enkel rechtvaardigen van een oordeel op emotie is namelijk voor een beroepsmoraal niet genoeg. Ook de juridische beroepsethiek vraagt om een gezamenlijke horizon. 'Zo voel ik dat nu eenmaal', is hierbij volgens velen niet genoeg.

• Ronald Dworkin - The concept of a moral position, Iowa State University
• Alisdair MacIntyre - After virtue, Google Books
• Charles Leslie Stevenson - Ethics and language, Google Books
• Thomas Nagel - The Last Word, Google Books
• Alfred Jules Ayer - Language, Truth, and Logic, Google Books
• K. Raes, D. Vandendriessche - Van rechtswege(n): politieke en rechtsfilosofische stromingen door de eeuwen heen, Google Books
• The Big Bang Theory, Wikipedia