Twitter Facebook RSS Feed Email
Posts tonen met het label Socratische methode. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Socratische methode. Alle posts tonen

De filosoof als ultieme vragensteller?

Sommige auteurs beschouwen filosofen als de ultieme, excellerende vragenstellers van kennis. Een goed filosoof, zo is hun stelling, verstaat de kunst van vragen stellen. Filosofie betekent immers de liefde voor wijsheid, de behoefte je niet te vergissen. Een liefde / behoefte waaraan je geen inhoud kunt geven zonder vragen te stellen.

Maar als filosofen zich kenmerken met een liefde voor wijsheid dan heeft dit wel als merkwaardig gevolg dat we misschien allemaal filosofen zijn [1]. Want wie wil zich nu vergissen? Bijvoorbeeld in het werk? Vergissen bij het toewijzen van een vordering, het gelijk geven aan een collega, het opstellen van een offerte, het aankopen van een product, het houden van toezicht op het werk van anderen, het opstellen van een beoordeling, ... et cetera. Weinig mensen zullen vinden dat je in je werk je mag vergissen.
 
Toch zullen weinig beroepsbeoefenaren zichzelf als filosoof zien. Het grootste verschil lijkt te zijn dat in tegenstelling tot de beroepspraktijk een filosoof niet gebonden is aan een bepaalde waarheid. Binnen een bepaalde beroepspraktijk worden vaak om praktische redenen bepaalde zaken voor waar gezien (bepaalde kennis wordt aanvaard) terwijl de filosoof dit altijd - op een meer fundamenteel niveau - ter discussie zal willen blijven stellen.

Zo zullen beroepsbeoefenaren die werkzaam zijn binnen het recht niet uitgaan van een gedetermineerde wereld: een wereld waarin alles al vaststaat en voorspelbaar is. Voor een filosoof is dit echter nog niet eens zo zeker. Aan de andere kant: stel er is sluitend bewijs of een sluitende argumentatie dat de mens geen vrije wil heeft. Het zou dan wel vreemd zijn als we hier binnen het recht geen rekening mee gingen houden. Al zal er dan vast weer een filosoof langskomen die dit sluitende bewijs of deze argumentatie ter discussie stelt.

Hiermee verschilt de kritische gerichtheid van de filosoof met name in de praktijk van die van een beroepsbeoefenaar. De vragen die de filosoof stelt, zijn fundamenteler van aard. Waarbij de antwoorden minder belangrijk zijn. Of zoals Dr. Bob Zunjic het verwoordt:

"Philosophy pursues questions rather than answers. The responsibility of philosophy is not so much to answer our questions as to question given answers. It is not an exaggeration to say that a philosopher is someone who can make a riddle out of any answer. A true philosopher is not bound by any particular "truths" that set limits to his/her urge to continue asking questions. Hence philosophy cannot be defined with recourse to some accepted tenets, beliefs and established class of propositions."

__________

[1]
Overgenomen van René Gude. Zie Gude, R. en D. Rovers, Kleine geschiedenis van de filosofie,  Veen media, 2010 (college 1). 

Zinvolle vragen

Soms wordt aan mij gevraagd wat ik een zinvolle vraag vind. Oef, lastig. De vragensteller opent namelijk een lastig filosofisch vraagstuk dat niet zomaar sluitend te beantwoorden is. Want wat maakt een vraag nu precies een zinvolle vraag? Is de vraag "Hoe lang is de kleur blauw?" nu een zinloze vraag? En in hoeverre is een bevelende of retorische vraag een zinvolle vraag? Neem de politie-agent die stelt "Wilt u even afstappen?": is dit nu een zinvolle vraag? Het is zinvol omdat het misschien een uitspraak is die een bepaald doel voor ogen heeft. Maar is het ook een vraag als maar één echt antwoord mogelijk is? En moet een vraag altijd gericht zijn op een oplossing van het in de vraag gestelde?

Sterker, Schwab stelt in Wij denken over filosofie mijns inziens terecht "dat we ons in heel wat bochten moeten wringen om [zelfs] een sluitende definitie van een vraag te geven" (p. 11, 1996 Damon). 
Zinvolle vraag - Zinvolle vragen
Zinvolle vragen / zinloze vragen: een indeling
Om toch vast te kunnen stellen wat zinvolle vragen zijn, hanteert Schwab een interessante indeling van vragen die ik graag - als is het wat uitgebreider - inzet. Nu is deze indeling niet echt verrassend (zie bijvoorbeeld deze discussie waarin je de indeling mooi in terugziet) maar de indeling kan wel helpen om vragen beter te duiden. Schwab maakt onderscheidt in de volgende vragen:

  • Groep A: Vragen die je kunt stellen en waarop jij en/of een ander een antwoord kunt geven. Dit noemt Schwab zinvolle vragen. 
  • Groep B: Vragen die je kunt stellen en waarop noch jij en/of noch een ander een antwoord kan geven. Dit noemt Schwab zinloze vragen.
  • Groep C: Vragen die logischerwijs niet gesteld kunnen worden. Dit zijn de niet-te-stellen-vragen.
  • Groep D: Vragen die niet gesteld worden?

Voorbeelden
Groep A kun je volgens Schwab weer verder indelen. Met andere woorden, er zijn meerdere verschillende vormen van zinvolle vragen (hierover later meer). Enkele voorbeelden:
  1. Zit daar een roodborstje?
  2. Hoeveel is 3 + 7?
  3. Is sprake van een onrechtmatige daad?
  4. Ben je voor of tegen de doodstraf?
  5. Wil je mij helpen met deze opdracht?
  6. Hoe zou je dit samenvatten in je eigen woorden? 
  7. Waarom heb je dit gedaan? Et cetera.

Groep B, de groep van zinloze vragen, kan volgens Schwab ook verder worden ingedeeld, namelijk in vragen die je pas later kunt beantwoorden en vragen die je nooit kunt beantwoorden.Voorbeelden van vragen uit deze groep zijn:
  1. Wanneer is de Europese Unie uit elkaar gevallen?
  2. Wanneer zal ik naar de bodem van de oceaan gaan zwemmen?
  3. Welke muziek is er gedraaid op mijn begrafenis?
  4. Wat denkt een paard als het springt?

In groep C zitten vragen die logisch gezien niet kunnen. Desondanks moet je deze vragen niet te snel terzijde schuiven. Ze kunnen wel een creatief proces op gaan brengen of bevorderen. Voorbeelden:

  1. Wat is de snelheid van gele vierkanten?
  2. Wanneer moet je de banden verwisselen van een pinguïn?
  3. Hoeveel kippen gaan er in de muzieknoot RE?

Voorbeelden van vragen uit groep D, zo impliceert Schwab, zijn niet te geven. Indien de vraag hier immers gesteld zou worden, dan zou het niet meer in groep D vallen.

Groep A-vragen zijn zinvolle vragen. Althans bij Schwab.
Vragen uit categorie A zijn dus volgens Schwab zinvol. Wat hij hier wel bij veronderstelt, is dat het niet uitmaakt of het antwoord misschien reeds bekend is bij de vragensteller. Hier is niet iedereen het mee eens. Volgens sommige auteurs heb je namelijk dan ook te maken met een zinloze vraag. Als ik aan een volwassene vraag hoeveel 3 + 7, terwijl ik het antwoord weet, dan is dit een zinloze vraag. Schwab ziet dit klaarblijk anders. Waarom hij hiervoor gekozen heeft, weet ik niet. Dit zou natuurlijk een zinvolle vraag zijn om aan hem te stellen.

Socratische vraag

(let op: deze bijdrage is enkel te raadplegen bij de originele auteur via www.vraagzin.nl)

Wat vind ik een goede socratische vraag? Deze vraag werd me twee weken geleden door studenten gesteld. Ik zal deze vraag in een latere bijdrage beantwoorden. In deze posting zal ik een vraag behandelen die hieraan vooraf gaat: wat verstaan andere auteurs onder een goede socratische vraag? Voordat ik mijn eigen ideeën geef, ontkom ik er natuurlijk niet aan eerst de ideeën van anderen te doorgronden en kort te samenvatten. Een socratische vraag is een vraag die zich onderscheidt van andere vragen doordat deze voldoet aan bepaalde voorwaarden. Maar welke voorwaarden stellen andere auteurs dan aan socratische vragen? Ik behandel (voorlopig) de ideeën van Bolten (2003), van Van den Elshout (2003) en van Kessels e.a. (2002). Voorlopig, want het overzicht zal groeien op het moment dat ideeën van andere auteurs hier aanleiding voor geven.

Bolten
Volgens Bolten, en zie hiertoe zijn artikel Spreken buiten de orde (opgenomen in het boek Het socratisch gesprek, blz. 25 en hier de online-versie), moet een socratische vraag voldoen aan vijf voorwaarden. In mijn woorden toegelicht:
  1. Concretiseerbaar: de gespreksdeelnemers moeten een concreet, praktisch, uit de ervaring voorkomend voorval kunnen vertellen waarbij de vraag van toepassing was.
  2. Conceptueel: de vraag moet gaan over begrippen, vooronderstellingen, mensbeelden, morele beginselen e.d. waardoor de vraag beantwoord kan worden door na te denken.
  3. Eenvoudig: omdat elk woord kan leiden tot een meningsverschil verdient het de voorkeur om de vraag zo klein mogelijk te houden: lange vraagzinnen zijn verboden (Bolten hanteert zelf als regel: maximaal twee begrippen en tien woorden).
  4. Treffend: de vraag moet, een wat Bolten noemt, een tweede-orde-probleem adresseren: ze hebben betrekking op de inhoud van een concrete vraag die hieraan vooraf gaat (dit is mogelijk wat lastig te begrijpen daarom een voorbeeld. Een concrete vraag van een student kan zijn "Hoe kan ik ervoor zorgen dat we in onze projectgroep gaan samenwerken en niet weer ruzie krijgen". Een socratische vraag overstijgt deze vraag en vraagt "Wat zijn de grenzen van samenwerking?" Voor de deelnemers moet deze vraag treffend zijn; ze moeten leven met deze vraag.
  5. Actualiseerbaar: bij voorkeur moet de vraag ook nog weer toepasbaar zijn op het socratisch gesprek zelf dat gehouden wordt. Als Socrates spreekt met Protagoras over de vraag "Is de deugd te leren of niet?", dan kun je deze vraag ook doorvertalen naar het gesprek dat Socrates met Protagoras zelf houdt: leren wij nu de deugd?

Van den Elshout
Van den Elshout stelt in hetzelfde boek, in het artikel Het socratische en de regels: wanneer is een gesprek socratisch en wanneer niet? (zie Het socratisch gesprek, blz. 63 en online hier samengevat) dat een goede socratische vraag: een (1) filosofische (2) fundamentele vraag is die voor (3) alle deelnemers (4) betekenisvol is:
  1. Filosofisch: het moet om een vraag gaan waarmee gezocht wordt naar voorwaarden, naar beginselen die je kunt beantwoorden met nadenken, met de rede.
  2. Fundamenteel: de vraag is niet historisch-filosofisch (wat bedoelde Nietzsche met ...) of logisch (want geen verbinding met de ervaring) maar gevraagd wordt naar "de beginselen, algemene principes die ten grondslag liggen aan beweringen, aan oordelen en vooronderstellingen, schuilend in alledaagse meningen, keuzes en handelingen".
  3. Alle deelnemers: iedereen moet de vraag kunnen begrijpen en de vraag als vraag ervaren.
  4. Betekenisvol: de vraag moeten herkent wordt in de ervaring. Het is niet enkel een theoretische en hypothetische vraag die los staat van de ervaring. Deelnemers moeten om die reden een voorbeeld kunnen geven. Hoe-vragen en Waartoe-vragen vallen om deze reden vaak af.
Van den Elshout vraagt zich vervolgens als mogelijke vijfde voorwaarde af (maar m.i. is het meer een toevoeging aan punt vier) of de vraag ook voor de gespreksleider een echte vraag moet zijn. Het probleem is dan dat een ervaren en/of geschoolde gespreksleider bekend zal zijn met de vraag en de mogelijke antwoorden. Dit is, zo stelt Van den Elshout, echter geen probleem zolang de gespreksleider als niet-wetende een onbevangen drang heeft (en blijft houden) de vraag filosofisch te onderzoeken. Dit richt zich natuurlijk op de inhoud: sturing naar een inhoudelijke conclusie is uit den boze. Natuurlijk is de gespreksleider wel wetend qua socratische methode.

Tussen de voorwaarden die Bolten en de voorwaarden die Van den Elshout stelt, zien we veel overeenstemming. Het vijfde punt van Bolten lijkt wel afwijkend. Dit heeft echter ook te maken met de opbouw van het artikel van Van den Elshout. De voorwaarden voor een goede socratische vraag maken onderdeel uit van de algemene voorwaarden die een socratisch gesprek kenmerken (de constitutieve regels van een socratisch gesprek in het algemeen). Andere algemene voorwaarden raken echter ook direct de vraag (en zijn soms ook hiertoe voorwaardelijk). In afwijking op Bolten stelt Van den Elshout wel expliciet dat alle deelnemers de vraag moeten omarmen. Ook Bolten omarmt dit maar dan meer impliciet.

Kessels, Boers en Boers
Op meerdere plekken in het boek Vrije Ruimte, filosoferen in organisaties (blz. 50 e.v. en blz. 184/189) beschrijven Jos Kessels, Erik Boers en Pieter Mostert de eisen die gesteld kunnen worden aan een goede centrale vraag in een socratisch gesprek. Als ik ze samenvoeg ontstaat het volgende overzicht. Een goede centrale vraag (ook wel uitgangsvraag) voldoet aan de volgende criteria:
  1. gaat om een algemene kwestie
  2. is fundamenteel van aard
  3. is niet empirisch / enkel te beantwoorden met nadenken
  4. is relevant voor de deelnemers
  5. moet de kern raken van wat de deelnemers willen onderzoeken
  6. is prikkelend geformuleerd
  7. is eenvoudig: zonder te veel lastige begrippen
  8. is makkelijk te te voorzien van concrete voorbeelden uit ervaring.
Vergeleken met de vorige twee auteurs is enkel het prikkelende karakter opvallend. Een vraag moet prikkelend geformuleerd zijn "zodat het dilemma of de morele afweging tot zijn recht komt" (blz. 189). Eerder werd dit door de auteurs omschreven als motiverend voor de deelnemers (blz. 184). Terecht wijzen de schrijvers erop dat niet enkel naar de vraag zou moeten worden gekeken maar dat een voorgestelde uitgangsvraag maar dat het "de combinatie van vraag en voorbeeld die bepalend is voor de beslissing of de voorgestelde uitgangsvraag daadwerkelijk uitnodigt tot het creëren van vrije ruimte." (blz. 50).

Aanvullend raden de auteurs af om een vraag te kiezen die zich impliciet richt op een probleem waarmee de groep onderling te kampen heeft (blz. 53). Dus geen vraag als "Wat is is de toegevoegde waarde van een leidinggevende?" als onderliggend de gedachte is: "Aan onze leidinggevende hebben we nu niets". Dit leidt waarschijnlijk niet tot de gewenste diepgang. Een interessant criterium: is deze voorwaarde tegengesteld aan het door Bolten gestelde criterium van actualiseerbaarheid?

No.4
Ken je nog een andere invulling? Ik hoor het graag!

Open versus gesloten vragen: een filosofische benadering

Let op: onderstaande artikelen zijn met expliciete toestemming overgenomen van Vraagzin.nl en komen uit het voor hun geschreven eBook "Waarom ook alweer? De kunst van vragen stellen in de beroepspraktijk". Zie Vraagzin.nl voor copyright en meer actuele en andere uitwerkingen van deze artikelen (het eBook is zeker een leestip!). Onderstaande artikelen worden niet bijgehouden.
 
De meeste mensen zullen de filosoof Jan Bransen niet kennen en zij die dit wel doen, kennen hem waarschijnlijk van het boek Word zelf filosoof. Verbonden aan Radboud Universiteit Nijmegen heeft deze hoogleraar Filosofie van de gedragswetenschappen echter ook een flink aantal andere lezenswaardige artikelen en boeken geschreven. Omdat de doelgroep van met name de artikelen medefilosofen (in opleiding) zijn, is de inhoud - in tegenstelling tot bijvoorbeeld eerdergenoemd boek -  niet altijd door iedereen direct te vertalen naar de praktijk. Dit is misschien een gemiste kans omdat een aantal artikelen juist de praktijk van vragen stellen raakt. Bijvoorbeeld het artikel From daily life to philosophy, gepubliceerd in Metaphilosophy, Vol. 45, No. 4 (juli 2004, p 517-535). Ik zal hieronder enkele interessante ideeën uit dit artikel proberen toegankelijk te maken. Niet met als doel een complete en perfecte samenvatting van het artikel te geven maar enkel ter verbetering van de praktijk van vragen stellen.
Een andere definitie van open en gesloten vragen.
Open en gesloten vragen: een afwijkende invulling
Bransen maakt in het artikel onderscheid tussen open en gesloten vragen. Maar hij gebruikt deze termen op een andere manier dan we gewend zijn.

  • Een gesloten vraag is een vraag waar uiteindelijk maar één correct antwoord op gegeven kan worden. Er zijn twee vormen van gesloten vragen:
    • Empirische vragen: dit zijn vragen waarbij de vragensteller veronderstelt dat de persoon aan wie de vraag wordt gesteld over een bak met empirische data (feiten) beschikt of kan beschikken waarmee de vraag beantwoord kan worden. Het zijn vragen die gaan over de menselijke ervaring en die op basis van inductie en observatie kunnen worden beantwoord. Als het onmogelijk is om een antwoord te geven dan komt dit enkel voort uit een gebrek aan informatie. Voorbeeldvragen:
      • Waar zijn mijn sleutels?
      • Op welke leeftijd gaan honden gemiddeld dood?
      • Had de schoonmaakster van Aristoteles maar één arm?
    • Formele vragen: dit zijn vragen waarbij de vragensteller veronderstelt dat de ander op basis van relaties tussen begrippen die in de vraag zijn opgenomen tot beantwoording van de vraag kan komen (door deductief te beredeneren of berekening) Dit klinkt misschien wat lastig maar laat ik dit toelichten aan de hand van een voorbeeld van Bransen zelf (p. 521). Neem de vraag: "Hoeveel dagen zitten er in een eeuw?" Als je weet wat een eeuw is - wat de definitie van 'eeuw' is - en hoe een eeuw zich begripsmatig verhoudt tot een dag dan kun je deze vraag prima beantwoorden. Andere voorbeelden:
      • Wat is de wortel van 49?
      • Is het totaal van alle zijden van een vierkant vier maal een enkele zijde?
      • Had de schoonmaakster van Aristoteles een lichaam? (dit raakt de relatie tussen het zijn van schoonmaakster en het hebben van een lichaam)

  • De open vraag is - als tegenhanger van bovengenoemde gesloten vragen - vragen die zich niet enkel richten op de menselijke ervaring (de empirische vragen) of die beantwoord kunnen worden op basis van een eenduidig begrippenkader (de formele vragen). Open vragen zijn vragen die gaan over de complexe relatie tussen een begrippenkader en de inhoud van de menselijke ervaring. Exemplarisch voor open vragen zijn filosofische vragen. De vraag "Had de hulp van Aristoteles een vrije wil?" is bijvoorbeeld een open vraag. Het is maar afhankelijk van wat je onder vrije wil verstaat hoe je deze vraag gaat beantwoorden. Als je een existentiële invulling voorstaat, krijg je mogelijk een ander antwoord dan als je redeneert vanuit het gedachtegoed van de filosoof Kant. Ook de vraag "Hoe moet ik handelen in geval x?" is een voorbeeld van een open vraag.

Waarom is deze tweedeling interessant? Om twee redenen.

1. Pas op met open vragen die ten onrechte worden gezien als gesloten vragen
 Bransen constateert dat als een open vraag wordt gezien en beantwoord als zijnde een empirische vraag dat hiermee indirect de vraag ook formeel wordt ingekleurd. De vooronderstelling is dan immers dat er maar één begrippenkader is dat ondubbelzinnig de relevante feiten selecteert. Snel een voorbeeld. Neem de vraag "Had de schoonmaakster van Aristoteles een vrije wil?" Als iemand zegt dat dit het geval was, de schoonmaakster had een vrije wil, dan zie je twee zaken. Ten eerste een visie op de vrije wil (bijvoorbeeld in aansluiting op de visie van de filosoof Sartre, Harry Frankfurt of ...) en ten tweede dat - gezien deze theorie - vrije wil conceptueel volgt uit schoonmaakster-zijn, gelijk een schoonmaakster ook een lichaam moet hebben. Beide punten zijn natuurlijk discutabel.

Dit toont ons wat filosofische vragen zijn. Het zijn niet de vragen die enkel gaan over de inhoud van de menselijke ervaring (empirie) en ook niet enkel over de inhoud en afleiding vanuit een bepaald begrippenkader. Filosofische vragen raken beide tegelijkertijd: het zijn vragen over hoe je de menselijke ervaring begripsmatig kunt duiden.

2. Stel betere open vragen: bevraag begrippenkaders in relatie tot hoe we de wereld ervaren
Volgens Bransen schuilt hier ook de taakopdracht van de filosoof in. Een filosoof zou ten aanzien van open vragen moeten streven naar het achterhalen van (betere) beschrijvingen van relaties tussen begrippen in het licht van onze menselijke ervaring. Dat open vragen in die zin betekenisvoller worden.  Bransen (p 533):

" ... it is a matter of improving the question to be asked, of improving our understanding of the particular problem beneath the surface that elicits from us an open question about how to conceive of a particular region of experience."

Wat filosofen moeten doen is de juiste vragen (laten) stellen. Misschien is het ideaal wel dat open vragen gesloten worden? Dat bijvoorbeeld de begrippen in het vrije-wil-debat conceptueel niet anders dan op een bepaalde manier gezien moeten worden waardoor uiteindelijk ook het antwoord op de vraag "Had de schoonmaakster van Aristoteles een vrije wil?" per definitie uit de gebruikte begrippen en ervaring volgt? Misschien.

Dit begint, en dan verwijs ik ook even naar het boek Word zelf filosoof, in ieder geval met het bestuderen van de begrippenkaders die anderen gebruiken (p. 190) en het expliciteren van (intrinsieke) begripsrelaties en begripsonderscheidingen (p. 194).

Een voorbeeld. Stel, iemand heeft als vraag "Hoe moet ik handelen in geval x?" Het is als filosoof, helemaal in de rol van toegepast ethicus, verleidelijk deze vraag te benaderen vanuit een Kantiaans perspectief, namelijk als een vraag naar informatie over welke morele plicht de persoon dan heeft. Toch kan deze vraag, zo stelt Bransen, beter worden vertaald naar een (levens)verhaal dat is vastgelopen en vraagt om filosofische verdieping en onderzoek. Een betere vraag zou in dat geval geherformuleerd moeten worden tot "Wie ben je?" in plaats van het Kantiaanse "Wat is je morele plicht?"