Twitter Facebook RSS Feed Email
Posts tonen met het label Analyse methode Logos pathos ethos (Aristoteles). Alle posts tonen
Posts tonen met het label Analyse methode Logos pathos ethos (Aristoteles). Alle posts tonen

'Het verkiezingsdebat informeerde ons perfect'

OPINIE

Op de site van de Volkskrant stelt Roderik van Grieken - directeur van het Nederlands Debat Instituut - in zijn opiniestuk dat het eerste verkiezingsdebat te amateuristisch was. Ondanks dat hij een aantal goede punten inbrengt, is een kleine nuance op zijn plaats.

Inderdaad, de opzet van de debatten en het eerste verkiezingsdebat lijken om veel van de door Van Grieken genoemde redenen amateuristisch. De foto's, de journalistiek-gedreven debatleiders, het aantal debatten: er valt nog wel wat te veranderen. Al moeten we ons natuurlijk wel direct afvragen wat met amateuristisch wordt bedoeld. In het opiniestuk verwijst Van Grieken vaak naar andere landen (met name de VS) om te laten zien hoe debatten ook georganiseerd kunnen worden. En inderdaad worden sommige debatten daar anders ingevuld. Maar er is natuurlijk meer nodig om een debat professioneel te maken.

Professioneel debat? Beter is een goed debat.
Laat ik voor het gemak professioneel/amateuristisch maar gelijk stellen aan goed/niet goed. Dit is een makkelijkere indeling. Om vervolgens vast te kunnen stellen wanneer een debat goed is, kunnen we het beste terugvallen op het doel van debatteren. Het doel van een deelnemer (de politicus) is de ander over te halen tot het eigen standpunt. Natuurlijk wil een politicus bij voorkeur de politicus van een andere partij overhalen maar in het algemeen zal de politicus gericht zijn op het overhalen van de kijker. Deze kijker (de televisiekijker) wil - wat ook Van Grieken correct stelt - geïnformeerd worden. 

Wat juist informeren is, is natuurlijk lastig om te bepalen. We kunnen echter wel vaststellen waarover een burger geïnformeerd kan worden. Laat ik hiertoe (opnieuw) de indeling van Aristoteles hiervoor als kader gaan gebruiken: de logos (overtuigen m.b.v. rationele, inhoudelijk krachtige argumenten), de pathos (overtuigen door in te spelen op het gevoel van de toeschouwer) en de ethos (overtuigen door zichzelf als integer, gekwalificeerd, betrouwbaar persoon neer te zetten). Als deze indeling nieuw is voor je ontdek dan hoe Ari zijn moeder overtuigt:


Een goed debat? Kijk verder dan de logos
In de analyse van debatten wordt vaak nadruk gelegd op de logos. Bestudeerd wordt in hoeverre de kijker de verschillende standpunten en argumenten van de partijen kan herkennen en begrijpen en of het allemaal logisch overkomt. Zaken als beleid, doelstelling, partijprogramma's, bewijs/ondersteuning en het terugkomen van mogelijk overstijgende idealen vormen vaak de grondslag van deze analyse. Indien de kijker deze niet terugziet dan is het debat niet goed zo is dan de stelling.

De vraag is echter of deze gerichtheid op logos voldoende is. De kijker wil ook geïnformeerd worden over de personen zelf. Over de ethos. Hoe is een politicus in een chaotische omgeving, houdt iemand zich staande, zien we een staatsman, komt een persoon integer over? Past de boodschap wel bij de persoon? Et cetera. Dit gaat natuurlijk verder dan het tonen van een vakantiefoto van een politicus. De kijker ziet het bijvoorbeeld terug in gedrag.

Voorbeeld
Het had weinig met beleid en doelstellingen e.d. te maken maar velen zullen nog Balkenende herinneren met 'u kijkt zo lief'. Ook hier werd de kijker geïnformeerd. 


Onbedoeld een prima debat?
Mijn stelling is dat het eerste verkiezingsdebat (mogelijk onbedoeld) prima was. De chaotische insteek, het ontbreken van bepaalde politici, de ongemakkelijkheid over de foto's (maar wel meedoen): we zagen hier de ethos van de politici tot ons spreken. Dat dit vervolgens sommige van ons somber maakt, mag je het debat niet verwijten. Sterker: het is misschien een goede reden om niet de regels en de structuur van de debatten te wijzigen?

'Ik was jaloers toen ik Moszkowiczs argumentatie hoorde'

Deze week werd bekend dat de ChristenUnie onderzocht wil hebben of een mogelijke opsplitsing van de euro in een noordelijke en een zuidelijke munt een optie is. Dit vroeg natuurlijk om economische duiding. Indien een politieke partij als deze dit overweegt dan moet dit wel becommentarieerd worden. Op BNR gingen hiertoe twee economische autoriteiten met elkaar in discussie: Arjo Klamer, hoogleraar in de economie van de kunst en cultuur aan de Erasmus Universiteit en Sylvester Eijffinger, hoogleraar fiscale economie aan de Universiteit van Tilburg en adviseur van het Europees Parlement.
De autoriteit in argumentatie

Het is altijd interessant om twee autoriteiten met elkaar in discussie te zien of te horen. Vaak zijn autoriteiten het namelijk niet met elkaar eens. Ook Eijffinger en Klamer verschillenden op punten van mening. Een verschil dat grotendeels verklaard kan worden door de verschillende insteek van de discussie.

Economische rationaliteit
Eijffinger benaderde de discussie vanuit een economisch kader (ook wel economische rationaliteit genoemd). In duidelijke bewoordingen legde hij op BNR uit waarom het economisch gezien beter is om één unie te behouden en waarom de discussie eigenlijk niet gevoerd zou moeten worden. Eén unie is economisch gezien de voordeligste optie voor ons. Klamer benaderde het vraagstuk echter vanuit een ander perspectief:
"Eijffinger heeft gelijk maar mensen worden daar toch kwaad over. Ze merken dat ze daardoor helemaal vastgezet worden, geen kant meer op kunnen, en dan gaan mensen zich tegen keren en dan wordt zo'n euro onhoudbaar. Het is een onhoudbare situatie waar we in zitten."
We zien hier dus twee autoriteiten met ieder een verschillend standpunt waarbij het verschil grotendeels verklaard kan worden door het gebruikte argumentatieve kader. Waar Eijffinger als autoriteit spreekt en dus dichter bij zijn vakgebied blijft, beziet Klamer het breder. Dat de twee economen toch dichter bij elkaar liggen, bleek later tijdens het interview (hieronder een link).

Plaatsvervangende schaamte
Hetzelfde probleem zien we terug in het interview met hoogleraar staats- en bestuursrecht Wim Voerman in de Volkskrant. Het interview gaat over de procedure die Wilders had aangespannen aangaande het Europese noodfonds. Voerman stelt in het interview dat de argumentatie van Bram Moszkowicz wat hem betreft bij voorbaat kansloos was en dat hij 'plaatsvervangende schaamte had toen hij de argumentatie van Moszkowiczs hoorde'. Hiermee richt hij zijn pijlen direct op de argumentatie van Moszkowicz bij Knevel & Van den Brink. Nu kan dit vanuit een juridisch perspectief mogelijk zo zijn. Maar is een betoog dat gehouden wordt bij Knevel & Van den Brink wel gericht op een hoogleraar recht?

Per definitie natuurlijk niet. De argumentatie van Moszkowicz bij Knevel & Van den Brink was niet gericht om juridische vakgenoten te overtuigen. Het gaat niet op tv om juridisch lastige, inhoudelijke argumenten (logos). Daarvoor is een tv-uitzending niet bedoeld. Binnen een rechtszaal, daar wordt juridisch geargumenteerd; niet op tv. Om te oordelen of de argumentatie van Moszkowicz goed was moet je daarom niet enkel kijken naar de juridische inhoud maar moet je ook kijken naar andere elementen. De insteek van Voerman lijkt daarmee - hoe verklaarbaar ook gezien zijn autoriteit - wat oneerlijk. Gelijk aan een hoogleraar engels die zou concluderen dat wat Moszkowicz (in het Nederlands) zei een Engelsman niet zou overtuigen.

De vraag moet m.i. eerder zijn of het betoog van Moszkowicz bij Knevel & Van den Brink een goed betoog was gezien de echte doelgroep. Dus gezien de reguliere tv-kijker en potentiële Wilders-stemmer. Had Voerman niet moeten concluderen: 'Ik was jaloers toen ik Moszkowiczs argumentatie hoorde bij Knevel & Van den Brink'? Misschien wel. Laat ik een poging doen de vraag te beantwoorden.

Pathos en ethos
Neem om te beginnen het gevoel (pathos) dat Moszkowicz waarschijnlijk wilde overbrengen. De woorden tijdens de uitzending - als de rechtszaak in het algemeen - over het permanente noodfonds zal een groot aantal burgers bevestigen in het (wel of niet terechte) gevoel dat Klamer hierboven verwoordde. Een gevoel van geen kant meer op te kunnen. Indien we de argumentatie van de advocaat - met op de achtergrond Wilders - met deze bril op bezien, dan was de argumentatie van de advocaat een stuk minder slecht.

Hierbij neemt het arrest dat Moszkowicz gebruikt in de uitzending wat mij betreft een speciale plaats in. Dit arrest uit 1969 bevestigde Voerman dat het een showproces was. Voerman ziet - vanuit zijn juridische autoriteit - hierdoor helaas niet in dat op tv op een andere manier geargumenteerd moet worden dan voor de rechter. Voor de uitzending was het arrest namelijk een briljante keuze. De kijker die over een aantal maanden moet gaan stemmen, hoort op tv over een arrest uit 1969, een uitspraak die er al was voordat al deze "Europese ellende" begon en ons kan redden. Uit 1969, toen het nog wel goed ging. En hiermee ziet dezelfde kijker tegelijkertijd een advocaat en een politicus die tot ver in het verleden gaan om "de huidige ellende te bestrijden". Hiermee zet de advocaat met het gebruik van het arrest een positief beeld van zichzelf (ethos) neer, een beeld van hard-je-best-doen-voor-ons. Juridisch inhoudelijk misschien niet correct maar vanuit een politiek argumentatief perspectief handig gekozen. Aristoteles zou tevreden zijn geweest?

Tot slot
Is gebruik van het arrest in de echte rechtszaak vervolgens misbruik van recht? Dit wordt wel door Voerman gesteld. Een complexe bewering. Het recht is namelijk om te beginnen minder zwart-wit dan Voerman doet overkomen. Een arrest uit 1969 is niet per definitie achterhaald. Het pleidooi van Moszkowicz ging vervolgens verder dan enkel dit arrest. Tot slot is het aangrijpen van een verkeerd arrest niet direct een uiting van misbruik van recht. Indien dit namelijk wel zo zou zijn, zou het een stuk stiller zijn in onze rechtszalen. Maar dat - want misschien te inhoudelijk - terzijde.


Voorbeeld van een goed betoog (en waarom dit een goed betoog is)

 ARGUMENTATIE-ANALYSE
In deze  posting zal ik een voorbeeld geven van een goed betoog. Vaak wordt mij namelijk hierom gevraagd. Nu ben ik altijd terughoudend in het geven van voorbeelden want om meteen met het slechte nieuws in huis te vallen: Het Goede Betoog bestaat niet. Het is altijd afhankelijk van de context of een betoog goed is of niet. Een goed betoog geschreven voor de site van De Telegraaf is waarschijnlijk minder goed geschikt voor de NRC-lezer (en andersom!). Een pleitnota enkel geschreven voor een rechter is misschien minder goed als het algemene publiek ook de doelgroep is van de pleitnota. Goed is dus een relatief begrip.

Dit lijkt een open deur maar vaak lees ik nog betogen die nauwelijks aansluiten op bijvoorbeeld de doelgroep. Stel jezelf dus altijd de vraag: wie wil ik waarvan overtuigen? En maak vervolgens niet de fout te denken dat een goed betoog een betoog is dat geen vragen oproept. De praktijk leert dat ieder betoog, hoe goed ook, vragen zal oproepen. Zo werkt taal nu eenmaal.

Maar nu een voorbeeld! Ik vind zelf het betoog “Maak van nationale dodenherdenking geen exclusieve Jodenherdenking” van Ewout Sanders, geschreven voor de NRC-site, een voorbeeld van een goed betoog. Ik zal zo uitleggen waarom. Maar eerst een waarschuwing vooraf. Met een betoog hoef je het niet eens te zijn, wil het een goed betoog zijn. Misschien ben je het volledig met Ewout oneens maar dan nog steeds kun je hopelijk concluderen: dit is een goed betoog. Mijn advies is om het betoog eerst zelf even te lezen (of in een ander venster te openen).
Titel
Om te beginnen is de titel goed gekozen. Het maakt duidelijk wat het onderwerp is én het maakt duidelijk wat het standpunt van de schrijver is.

Alinea 1 Beschrijving huidige stand van zaken
Vervolgens valt Sanders direct met de deur in huis en beschrijft hoe de kwestie nu formeel in elkaar zit. Dit is om twee redenen een goede keuze. De meeste lezers kennen reeds de discussie en dus is het niet nodig om het onderwerp uitgebreid toe te lichten. Daarnaast legt Sanders uit wat precies met de dodenherdenking wordt bedoeld. Dit is een veel gevolgde aanpak: leg in het begin even wat begrippen uit. Het is wel jammer dat Sanders niet aangeeft waar het formele standpunt precies op gebaseerd is. Waarom heet dit formeel? Vervolgens geeft hij aan hoe het nu in informeel lijkt te gaan. Misschien was beter om de begrippen in theorie en in de praktijk te gebruiken? 

Alinea 2 – 4 De voorbeelden
In de drie hierop volgende alinea’s geeft Sanders voorbeelden waarom het informeel anders gaat. Dat is slim: met voorbeelden geeft hij aan waarom sprake is van de situatie in de afsluitende zin van alinea 1. Werken met voorbeelden werkt vaak goed om de lezer mee te nemen in het betoog.

Alinea 5 Het standpunt en korte weergave tegenargument
Nu wordt het standpunt gegeven:  “Ik vind dit een kwalijke ontwikkeling”. Direct in de eerste zin: dit is een harde maar duidelijke overgang. Sanders geeft vervolgens bondig het belangrijkste tegenargument van anderen weer (Zij doen dit op basis van een vast argumenten …)

Alinea 6 Een voorbeeld waaruit blijkt dat dit inderdaad de tegenpositie is: Ies Zwaaf
Alinea 6 geeft een voorbeeld waaruit blijkt dat het tegenargument inderdaad zo door de "tegenpartij" gespeeld wordt. In dit geval wordt verwoord wat Ies Zwaaf, voorzitter van Federatief Joods Nederland,  zei het in het NOS Journaal. Het woordje "zo" is mooi:  hiermee wordt aangegeven dat het om een voorbeeld gaat.

Alinea 7 Eigen argumenten (inclusief voorbeelden)
Sanders komt nu pas met een eigen argument. Het is dus niet altijd nodig om direct met eigen argumenten te komen; dit kan ook later. Sanders vindt het respectloos en beschamend. In de zin hierop legt hij uit waarom.

Alinea 8 Aansluiten bij wat de meerderheid waarschijnlijk ook denkt: de meerderheid als autoriteit
In alinea 8 laat Sanders zien dat hij niet alleen staat in zijn standpunt. Dit doet hij door opnieuw een voorbeeld te geven: bijna alle 400 aanwezigen liepen langs de graven. Een slimme aanpak (juist omdat de rechter in zijn uitspraak het tegenovergestelde had gewild) al kun je je wel afvragen of dit argument juist is. De meerderheid kan er immers ook naast zitten. Zagen we dat juist niet tijdens de Tweede Wereldoorlog?

Alinea 9. Eigen argument II. Er is een ontwikkeling gaande. En de ander als achterhaald neerzetten.
In alinea 9 wijst Sanders op een ontwikkeling die gaande is. Dit is een slimme manier van argumenteren. Wat een schrijver dan zegt, is dat anderen misschien nog wel anders kunnen denken maar dat zij - willen ze niet achter blijven - wel moeten meegaan met de tijd. Het wijzen op nieuwe ontwikkelingen is een slimme manier om te overtuigen. De kritische vraag is natuurlijk of deze ontwikkeling echt plaatsvindt én of deze wel wenselijk is. 

Alinea 10. Jezelf als geloofwaardig neerzetten en herhalen standpunt
Alinea 10 begint met “Voor de goede orde meld ik dat ik zelf ook tot die generatie behoor. “ Wat Sanders hier doet is wat de filosoof Aristoteles zou noemen “aan je eigen ethos werken”. Met andere woorden:  Sanders stelt zichzelf neer als autoriteit om de lezer ervan te overtuigen dat hij een gekwalificeerd spreker is én dus echt gelijk heeft.

Alinea 11. Herhaling argument en doortrekken in het absurde
Sanders geeft nogmaals het centrale argument weer: “Omdat het volgens mij onverstandig is om je generaties lang te blijven afficheren als slachtoffer en daar rechten aan te verbinden.”. Vervolgens maak je het argument van de ander enigszins belachelijk door dit in het absurde te trekken.

Alinea 12. Geen conclusie maar nog een argument
De laatste alinea is niet helemaal een conclusie (zoals wel vaak wordt aangeraden) maar begint met een soort extraatje. Ik zal deze alinea even los analyseren:

Maar los daarvan: één keer per jaar kort stilstaan bij daders die evident ook slachtoffers waren van hun tijd, beschouw ik als een teken van beschaving. De toenemende Joodse monopolisering van de dodenherdenking wekt wrevel op, merk ik om mij heen. De nationale ontwikkeling volgen en mededogen opbrengen voor sommige daders zou juist respect opleveren.

- In de eerste zin wordt een beroep gedaan op beschaving. Slim want welke lezer wil nu geen beschaving. De discussie gaat er echter nu precies om wat een beschaafde herdenking inhoudt.
- Sanders heeft dus iets te verantwoorden (waarom is zijn standpunt een teken van beschaving) en doet dat in de tweede zin: het wekt wrevel op in zijn omgeving.  Een kritisch lezer zal dit nog niet overtuigen. Om hoeveel mensen gaat het dan? Hoe ziet de omgeving van Sanders eruit? Et cetera. Als argumentatiestap is het wel slim: mensen die dit betoog lezen zullen dit gevoel herkennen (de reacties onder het betoog bevestigen dit).
- In de derde en laatste zin komt de afsluiting.

Tot slot
Ondanks dat het een goed betoog is, roept het betoog na eerste lezing wel direct een aantal vragen op:
- De ontwikkeling kan dus ter discussie worden gesteld: (1) deze is niet gaande of (2) al zou deze wel gaande zijn dan moet je deze niet willen.
- De gekozen voorbeelden kun je ter discussie stellen. Met name het gebruik van mensen in de eigen omgeving hoeft ons toch nog niet te overtuigen?
- De eigen argumenten kunnen nog beter worden neergezet. Is het nu één argument of zijn het meerdere?

Maar als voorbeeld betoog: prima. Sanders gebruikt - na een goed gekozen titel - veel voorbeelden, heeft oog voor het belangrijkste tegenargument, speelt in op de mogelijk aanwezige gevoelens van de lezer en zet zichzelf neer als autoriteit. Hiermee combineert Sanders, in termen van de filosoof Aristoteles, logos, pathos en ethos tot een goed betoog.

Analyse speech Bill Clinton na het Monica Lewinsky-schandaal

De antieke filosoof Aristoteles maakte een onderscheid tussen logos, ethos en pathos dat nog steeds waardevol is bij de beoordeling van betogen. Zo maakt Marc Huys, hoogleraar te Leuven, met behulp van de ideeën uit de Rhetorica van Aristoteles een mooie analyse van de speech die Bill Clinton hield nadat bekend was geworden dat hij onoorbare handelingen had verricht met Monica Lewinsky. Een aanrader voor liefhebbers van deze aanpak.



Bill Clinton, Monica Lewinsky en de Rhetorica van Aristoteles, Marc Huys (KU Leuven), 2010
de Monica Lewinski-affaire, Wikipedia