Twitter Facebook RSS Feed Email
Posts tonen met het label Recht. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Recht. Alle posts tonen

'Ik was jaloers toen ik Moszkowiczs argumentatie hoorde'

Deze week werd bekend dat de ChristenUnie onderzocht wil hebben of een mogelijke opsplitsing van de euro in een noordelijke en een zuidelijke munt een optie is. Dit vroeg natuurlijk om economische duiding. Indien een politieke partij als deze dit overweegt dan moet dit wel becommentarieerd worden. Op BNR gingen hiertoe twee economische autoriteiten met elkaar in discussie: Arjo Klamer, hoogleraar in de economie van de kunst en cultuur aan de Erasmus Universiteit en Sylvester Eijffinger, hoogleraar fiscale economie aan de Universiteit van Tilburg en adviseur van het Europees Parlement.
De autoriteit in argumentatie

Het is altijd interessant om twee autoriteiten met elkaar in discussie te zien of te horen. Vaak zijn autoriteiten het namelijk niet met elkaar eens. Ook Eijffinger en Klamer verschillenden op punten van mening. Een verschil dat grotendeels verklaard kan worden door de verschillende insteek van de discussie.

Economische rationaliteit
Eijffinger benaderde de discussie vanuit een economisch kader (ook wel economische rationaliteit genoemd). In duidelijke bewoordingen legde hij op BNR uit waarom het economisch gezien beter is om één unie te behouden en waarom de discussie eigenlijk niet gevoerd zou moeten worden. Eén unie is economisch gezien de voordeligste optie voor ons. Klamer benaderde het vraagstuk echter vanuit een ander perspectief:
"Eijffinger heeft gelijk maar mensen worden daar toch kwaad over. Ze merken dat ze daardoor helemaal vastgezet worden, geen kant meer op kunnen, en dan gaan mensen zich tegen keren en dan wordt zo'n euro onhoudbaar. Het is een onhoudbare situatie waar we in zitten."
We zien hier dus twee autoriteiten met ieder een verschillend standpunt waarbij het verschil grotendeels verklaard kan worden door het gebruikte argumentatieve kader. Waar Eijffinger als autoriteit spreekt en dus dichter bij zijn vakgebied blijft, beziet Klamer het breder. Dat de twee economen toch dichter bij elkaar liggen, bleek later tijdens het interview (hieronder een link).

Plaatsvervangende schaamte
Hetzelfde probleem zien we terug in het interview met hoogleraar staats- en bestuursrecht Wim Voerman in de Volkskrant. Het interview gaat over de procedure die Wilders had aangespannen aangaande het Europese noodfonds. Voerman stelt in het interview dat de argumentatie van Bram Moszkowicz wat hem betreft bij voorbaat kansloos was en dat hij 'plaatsvervangende schaamte had toen hij de argumentatie van Moszkowiczs hoorde'. Hiermee richt hij zijn pijlen direct op de argumentatie van Moszkowicz bij Knevel & Van den Brink. Nu kan dit vanuit een juridisch perspectief mogelijk zo zijn. Maar is een betoog dat gehouden wordt bij Knevel & Van den Brink wel gericht op een hoogleraar recht?

Per definitie natuurlijk niet. De argumentatie van Moszkowicz bij Knevel & Van den Brink was niet gericht om juridische vakgenoten te overtuigen. Het gaat niet op tv om juridisch lastige, inhoudelijke argumenten (logos). Daarvoor is een tv-uitzending niet bedoeld. Binnen een rechtszaal, daar wordt juridisch geargumenteerd; niet op tv. Om te oordelen of de argumentatie van Moszkowicz goed was moet je daarom niet enkel kijken naar de juridische inhoud maar moet je ook kijken naar andere elementen. De insteek van Voerman lijkt daarmee - hoe verklaarbaar ook gezien zijn autoriteit - wat oneerlijk. Gelijk aan een hoogleraar engels die zou concluderen dat wat Moszkowicz (in het Nederlands) zei een Engelsman niet zou overtuigen.

De vraag moet m.i. eerder zijn of het betoog van Moszkowicz bij Knevel & Van den Brink een goed betoog was gezien de echte doelgroep. Dus gezien de reguliere tv-kijker en potentiële Wilders-stemmer. Had Voerman niet moeten concluderen: 'Ik was jaloers toen ik Moszkowiczs argumentatie hoorde bij Knevel & Van den Brink'? Misschien wel. Laat ik een poging doen de vraag te beantwoorden.

Pathos en ethos
Neem om te beginnen het gevoel (pathos) dat Moszkowicz waarschijnlijk wilde overbrengen. De woorden tijdens de uitzending - als de rechtszaak in het algemeen - over het permanente noodfonds zal een groot aantal burgers bevestigen in het (wel of niet terechte) gevoel dat Klamer hierboven verwoordde. Een gevoel van geen kant meer op te kunnen. Indien we de argumentatie van de advocaat - met op de achtergrond Wilders - met deze bril op bezien, dan was de argumentatie van de advocaat een stuk minder slecht.

Hierbij neemt het arrest dat Moszkowicz gebruikt in de uitzending wat mij betreft een speciale plaats in. Dit arrest uit 1969 bevestigde Voerman dat het een showproces was. Voerman ziet - vanuit zijn juridische autoriteit - hierdoor helaas niet in dat op tv op een andere manier geargumenteerd moet worden dan voor de rechter. Voor de uitzending was het arrest namelijk een briljante keuze. De kijker die over een aantal maanden moet gaan stemmen, hoort op tv over een arrest uit 1969, een uitspraak die er al was voordat al deze "Europese ellende" begon en ons kan redden. Uit 1969, toen het nog wel goed ging. En hiermee ziet dezelfde kijker tegelijkertijd een advocaat en een politicus die tot ver in het verleden gaan om "de huidige ellende te bestrijden". Hiermee zet de advocaat met het gebruik van het arrest een positief beeld van zichzelf (ethos) neer, een beeld van hard-je-best-doen-voor-ons. Juridisch inhoudelijk misschien niet correct maar vanuit een politiek argumentatief perspectief handig gekozen. Aristoteles zou tevreden zijn geweest?

Tot slot
Is gebruik van het arrest in de echte rechtszaak vervolgens misbruik van recht? Dit wordt wel door Voerman gesteld. Een complexe bewering. Het recht is namelijk om te beginnen minder zwart-wit dan Voerman doet overkomen. Een arrest uit 1969 is niet per definitie achterhaald. Het pleidooi van Moszkowicz ging vervolgens verder dan enkel dit arrest. Tot slot is het aangrijpen van een verkeerd arrest niet direct een uiting van misbruik van recht. Indien dit namelijk wel zo zou zijn, zou het een stuk stiller zijn in onze rechtszalen. Maar dat - want misschien te inhoudelijk - terzijde.


De 16 argumenten voor en tegen het hoofddoekverbod

argumenten tegen het hoofddoekverbodHet dragen van een hoofddoek - niet zijnde een boerka - wordt in het algemeen door veel mensen geaccepteerd. Desondanks ontstaat er toch soms een publieke discussie over de hoofddoek. Zou er toch niet soms een verbod moeten komen op het dragen van een hoofddoek? Bijvoorbeeld als de draagster van de hoofddoek een publieke functie uitoefent binnen de overheid (ambtenaar, rechter)? Is het dan niet logisch om een hoofddoekverbod in te stellen?

Ik zal in deze posting de argumenten voor en tegen een hoofddoekverbod geven. Ik zal me hierbij richten op het hoofddoekverbod op het werk omdat de discussie vaak hierover gaat. Want of iemand thuis of in de winkel een hoofddoek mag dragen staat minder ter vaak ter discussie. Om het punt vervolgens zo principieel mogelijk te maken, zal ik een publieke functie bij uitstek nemen: de rechter. Maar dezelfde argumenten kun je gebruiken als het gaat om een vrouw met hoofddoek die werkt als ambtenaar, lerares op een openbare school, et cetera.

De vraag: is dus of een vrouwelijke rechter haar geloof mag uiten via een hoofddoek. Het minderheidskabinet van VVD/CDA - met op de achtergrond PVV - vond in 2010 dat het dragen van een boerka in ieder geval niet zou mogen. Maar een hoofddoek? Een klein overzicht met argumenten voor een tegen het hoofddoekverbod. Ze zijn m.i. niet allemaal even overtuigend maar dat is aan jou om te bepalen. Zit er drogredenen tussen de argumenten? Wat zou een goede argumentatie maken?



ARGUMENTEN HOOFDDOEKVERBOD

9 argumenten voor een verbod op de hoofddoek

1. Een rechter moet rechtspreken. Dit betekent juridisch oordelen. Dus op basis van het recht. Eigen persoonlijke opvattingen doen niet ter zake. Of dit in de werkelijkheid ook mogelijk is, wordt soms bestreden maar een rechter moet in ieder geval zoveel mogelijk zien te voorkomen dat de partijen bij een rechtszaak de indruk krijgen dat bij de rechter bepaalde religieuze opvattingen voorrang hebben. Dragen rechters niet voor niets een toga? De eigen persoon wordt letterlijk in het donker gezet. Eigen persoonlijke opvattingen tellen niet.

2. Het tonen van religieuze symbolen kan de indruk wekken dat de rechter bevooroordeeld is indien mede-gelovigen die voor de rechter verschijnen. De schijn wordt gewekt dat de rechter niet onpartijdig is. Dit gaat niet om de opvattingen zelf (zie onder 1) maar meer om belangenbehartiging richting medegelovigen. Stel de rechter draagt een hoofddoek en een van de procespartijen ook. De andere partij zal zich hier niet prettig bij voelen. Terecht of onterecht: dit moet voorkomen worden.

3. Hieraan gerelateerd: om juist directe belangenverstrengeling te voorkomen gaat de rechter misschien overcompenseren? Dus juist om maar niet de indruk te wekken dat de rechter met hoofddoek een van de partijen die ook een hoofddoek draagt bevoordeelt, geeft ze eerder de andere partij gelijk.

4. Binnen een rechtsstaat hoort er een strikte scheiding te zijn tussen kerk en staat in het algemeen.

5. Hieraan gerelateerd: zet je hierdoor niet de deur open voor andere levensbeschouwelijke vormen van onze rechtsstaat (met name de Islamitische sharia). Dit is niet wenselijk gezien genoemde scheiding kerk en staat.

6. Andere rechters mogen ook niet met een petje op zitten (interessant aan dit argument is dat het normaal gebruikt wordt om hoofddoeken in het publieke domein toe te staan). Waarde: gelijkheid.

7. Het geeft geen goed voorbeeld aan burgers hetgeen ook een taak is van de overheid. Het wekt volgens sommige burgers namelijk de indruk van onderdrukking. De overheid moet deze symbolische waarde van de hoofddoek niet uitdragen. (zie ook pro-argument nummer 3).

8. Het dragen van een hoofddoek is niet essentieel voor een goede Islamitische geloofsbeleving. Je kunt ook goed moslim zijn zonder hoofddoek. Het dragen van een hoofddoek is eerder een culturele keuze. Dit moet je voorkomen.

9. Je zet de deur open voor andere uitingen. Dit moet je voorkomen (met name de boerka wordt hiermee bedoeld). Maar we willen ook niet dat rechters een hakenkruis-symbool dragen. Inhoudelijk mag het dan niet te vergelijken zijn, het gaat om het principe. Als overheid mag je geen religieuze uitingen doen.



7 argumenten tegen een verbod op de hoofddoek:

1. Het niet mogen uiten van het geloof via een hoofddoek maakt nog niet dat een vrouwelijke rechter haar levensbeschouwelijke opvattingen uitschakelt. Sterker: het is - normaal gesproken - een eigenschap van het aanhangen van een religie dat dit iemands gehele leven bepaald. Het is beter dat anderen dit zien. Ze kunnen dan kritisch kijken naar de juridische uitspraak. Is er echt geen sprake van belangenverstrengeling? Worden er geen verkeerde, persoonlijke argumenten gebruikt door de vrouwelijke rechter? Indien een vrouwelijke rechter een hoofddoek draagt zien de procespartijen dus haar achtergrond en kunnen ze de juridische uitspraak hier beter op bestuderen.

2. Er is mogelijk sprake van schending van een van belangrijkste mensenrechten die er is: het recht op godsdienstvrijheid. Juist omdat een religie een mensbepalende keuze is (het is geen keuze als wat ga ik vanavond eten) moet je zoveel mogelijk proberen dit recht op godsdienstvrijheid te garanderen.

3. Het geeft een goed voorbeeld hetgeen ook een taak is van de overheid. Het toont geëmancipeerde vrouwen die hun eigen en weloverwogen keuzes maken (symbolische waarde van de hoofddoek). Nederlandse moslima's zijn daarbij niet fundamentalistisch. Andere Islamitische vrouwen zullen door een verbod zich juist geremd voelen in hun emancipatie en zien niet de goede voorbeelden.

4. Onze rechtspraak moet een afspiegeling vormen van de samenleving. Enkel dan is het mogelijk om met elkaar samen te leven. En ook enkel dan zullen mensen de uitspraken van rechters omarmen. Ook vrouwen met een hoofddoek vallen hieronder.

5. De wet verbiedt het niet (al is dit nu net de discussie).

6. Hier had bij het aannemen van de vrouwelijke rechter reeds rekening mee gehouden kunnen worden. Achteraf hier een punt van maken is een schending van vertrouwen. Voor de huidige vrouwelijke islamitische rechters zou je dit dus sowieso niet moeten invoeren.

7. Andere levensbeschouwelijke uitingen staan niet ter discussie. Hoe wordt tegen keppeltjes aangekeken? En het dragen van een kruisje. En hoe moeten we tegen tatoeages aankijken? De discussie lijkt hiermee niet helemaal zuiver te zijn. Waarom toch deze discussie over het hoofddoekverbod? Waarschijnlijk om andere redenen. Heb het dan daarover.



De volgende vraag is mogelijk hoe het zit met advocaten. Ligt dit anders? Zij werken immers niet voor de overheid. In België dachten ze daar in 2009 anders over: Brusselse advocaten verboden het dragen van een hoofddoek. En hoe zit het met de getuige. In Australië stond in 2010 de getuige in boerka in ieder geval ter discussie. Maar dit is natuurlijk een andere discussie.

Heb je nog andere relevante argumenten voor of tegen het hoofddoekverbod? Altijd welkom.

• 'Kabinet komt met algeheel boerkaverbod', AD, 30-09-2010
• Brusselse advocaten verbieden hoofddoek, Standaard.be, 01-10-2009
• Judge to rule on burka in courtroom, ABC News, 05-08-2012

De 25 argumenten tegen de doodstraf

ARGUMENTATIE-ANALYSE
Om een betoog over de doodstraf te kunnen schrijven of te bevragen, zul je eerst de verschillende argumenten in kaart moeten brengen. Dus niet direct oordelen maar eerst afvragen welke argumenten er zijn. In dit artikel vind je de vijfentwintig meest gehoorde argumenten tegen de doodstraf. Ik heb hierbij de argumenten voor het gemak onder een specifiek etiket gecategoriseerd. Niet alle argumenten zijn even sterk trouwens. Het doel is enkel de argumenten eerst helder te krijgen. De beoordeling of deze anti-doodstraf-argumenten overtuigend zijn, laat ik graag aan jou over.

argumenten tegen de doodstraf

ARGUMENTEN TEGEN DE DOODSTRAF:

Preventie (voorkomen van herhaling).

1. De doodstraf schrikt niet af (zoals vaak gedacht).
Daders handelen lang niet altijd rationeel. Als je nadenkt, wil je toch ook niet levenslang vastzitten? Toch gebeuren er nog steeds misdrijven waar mensen 30 jaar straf voor krijgen. Zie ook punt 17.

2. Er zijn goede / zwaardere alternatieven om herhaling te voorkomen.
Als je iemand enkel de doodstraf geeft om herhaling te voorkomen, kun je ook kiezen voor levenslange opsluiting. Hiervoor heb je niet de doodstraf nodig.

Genoegdoening.

3. Slachtoffers denken dat dit genoegdoening geeft maar dit zal lang niet altijd het geval zijn.
Veel slachtoffers vinden op de lange termijn zich toch ongemakkelijk bij het idee dat de dader de doodstraf heeft gekregen. Hoe vreemd ook maar een excuus, een uitleg of begrip vinden ze belangrijker.

4. Als een straf toch zo zwaar mogelijk moet zijn dan zijn er betere alternatieven.
Als een slachtoffer - ondanks punt drie - toch zo hard mogelijk een dader wil straffen dan is de doodstraf misschien niet de beste oplossing. Iemand jarenlang opsluiten, met zo min mogelijk faciliteiten (enkel op water en brood, zonder mensen te mogen ontmoeten, zonder buitenlucht) is minstens zo erg. Of andere lijfstraffen?

5. Het is als genoegdoening nutteloos. Bij moord brengt de doodstraf het leven van het slachtoffer niet terug.
Dit spreekt voor zich. Iedere genoegdoening - bij moord - zal tekortschieten. Want het enige wat iemand wil, wat echt genoegdoening zou geven - de geliefde die is vermoord weer terugkrijgen - is onmogelijk.

Financieel.

6. De doodstraf is duurder dan iemand levenslang vast laten zitten.
Het is een illusie om te denken dat het invoeren van de doodstraf goedkoper is voor de maatschappij. De praktijk in Amerika laat zien dat juist de doodstraf een duurdere oplossing is. De procedures worden langer, de procedures vragen om meer onderzoeken, meer experts, extra zittingen et cetera. Dit betekent meer rechters, meer advocaten, meer griffiers, e.d. Om zorgvuldigheid te garanderen duren doodstraf-procedures gemiddeld zo 10 tot 20 jaar.

7. Geen doodstraf is beter voor het imago van Nederland en (hierdoor) voor onze economische situatie.
Landen waar de doodstraf is ingevoerd, worden in het buitenland toch met scheve ogen aangekeken. Sommige mensen schrikt het zelfs af om als toerist te bezoeken. Zeker als de doodstraf met andere lijfstraffen wordt ingevoerd.

Samenleving

8. Een fatsoenlijk land doet niet aan oog om oog, tand om tand. 
Als je een dader op dezelfde manier aanpakt als wat hij mogelijk heeft gedaan - stel het is een moordenaar - dan verlaag je je eigenlijk naar zijn of haar niveau. Dit moet je niet willen. Je wilt aantonen dat het doden van iemand verkeerd is door de persoon zelf te doden? Dat lijkt tegenstrijdig.

9. De meerderheid - en we zijn nu eenmaal een democratie - is tot nu toe altijd tegen geweest.
Als je het wilt, moet dit een democratische keuze zijn. Menig onderzoek heeft echter aangetoond dat de meerderheid van de mensen in Nederland geen doodstraf wenst. Zeker nu de grondwet (artikel 114) moet worden aangepast. Zie ook 24. (extra toelichting op de NRC-site)

Inhumaan

10. Het is niet menselijk.
Het opleggen van de doodstraf ontneemt de dader de mogelijkheid om zijn foute gedrag te herstellen en het ontneemt de mogelijkheid om opnieuw te beginnen. Dit is niet menswaardig.

Uitvoering

11. Waar trek je de grens?
Iedere grens die je trekt is arbitrair. Doe je het enkel bij een meervoudige moord, of ook bij een politieke moord, bij één moord, bij kindermishandeling, bij zware mishandeling, bij mishandeling, bij dood door schuld (met alcohol achter het stuur), bij drugs geven aan kinderen, bij ... Omdat een grens trekken niet te doen is, moet je er ook niet aan beginnen. Zie ook 25.

12. Het openbaar ministerie en de rechters kunnen er naast zitten.
In het verleden hebben we verschillende justitiële dwalingen gezien. Mensen werden beschuldigd en bestraft voor de meest vreselijke misdrijven (bijvoorbeeld Lucia de B.) maar bleken achteraf toch onschuldig. Als je een doodstraf hebt opgelegd, kun je dit niet meer herstellen. Zie ook punt 18.

13. Ons rechtssysteem zou invoering van de doodstraf niet aankunnen.
Ons rechtssysteem staat op dit moment onder zware druk. Mensen stappen eerder en vaker naar de rechter. Doodstraf-zaken zijn vervolgens altijd complexe, lang durende rechtszaken teneinde te komen tot een zorgvuldige, weloverwogen oordeel. De rechterlijke organisatie is hier echter niet op ingericht. We willen hier ook geen extra geld aan besteden; helemaal niet in crisistijden.

14. Artsen zullen mogelijk niet mee willen werken.
De praktijk leert dat het uitvoeren van de doodstraf allerlei problemen met zich mee kan brengen. Dat een injectie bijvoorbeeld niet juist gezet wordt of te licht is. Bij de uitvoering zullen artsen betrokken zijn. Het geven van de doodstraf botst echter met de eed van eed van Hippocrates of de persoonlijke moraal van artsen.

15. Rechters en officieren van justitie zijn soms minder objectief dan gedacht.
Binnen het strafrecht wordt gestreefd naar objectiviteit maar het blijft mensenwerk. Allerlei problemen doen zich dan voor. Om bijvoorbeeld niet beschuldigd te worden van racisme zie je dat in Amerika relatief vaker blanke mensen de doodstraf krijgen (en minder vaak gratie krijgen). Dit is niet rechtvaardig (zie ook verderop).

16. Het kan uitlopen tot een volks-festiviteit. 
In de 18e eeuw - en eerder - werden mensen zelfs publiekelijk opgehangen. In begin werd dit gedaan om een statement te maken. Om mensen af te schrikken. In de praktijk leidde dit zelfs tot een festiviteit. Mensen kwamen samen, zorgen voor oproer, vroegen om meer, et cetera. Dit leidde weer tot groepsdruk bij de uitvoerders. Zie ook punt 17.

Rechtvaardigheid

17. Sommige mensen doen de ergste dingen zonder dat ze het echt zouden willen.
Sommige mensen worden makkelijker beïnvloed dan andere mensen. Ook in het doen van zaken met de vreselijkste uitkomsten. Onderzoeken uit de sociale psychologie - bijvoorbeeld het Milgram-experiment en het Standford-prison experiment - hebben laten zien dat gewone, vriendelijke mensen bewust mensen kunnen martelen. Het is niet rechtvaardig om iemand hiervoor te bestraffen met de dood.

18. Het rondkrijgen van een zaak zal alleen maar lastiger worden.
Voor een rechtbank de doodstraf gaat opleggen zal het 100% zekerheid willen hebben. Natuurlijk geldt dit eigenlijk ook voor hoge gevangenisstraffen maar toch valt te voorzien dat rechters nog kritischer zullen zijn. Want niemand wil een onschuldige ter dood veroordelen. Het negatieve gevolg hiervan kan zijn dat misdadigers hierdoor eerder hun straf zullen ontlopen.

19. Het rondkrijgen van een zaak zal alleen maar lastiger worden - reden II.
In Amerika zie je dat juist topadvocaten gratis of pro-deo hun diensten ter beschikking stellen aan verdachten die de doodstraf kunnen krijgen. De kans dat een zaak hierdoor ineens door bijvoorbeeld relatief onbelangrijke procedurele tekortkomingen stukloopt, wordt groter.

20. Sommige daders zijn geestelijk ziek. Hun hiervoor bestraffen met de doodstraf is niet rechtvaardig.
Sommige daders hebben een psychische (persoonlijkheids) stoornis. Deze mensen verdienen zorg niet de doodstraf.

21. Het is onrechtvaardig voor de nabestaanden van de dader
Familie en vrienden van de dader - die in zekere zin onschuldig zijn aan het handelen van de dader - gaan door een hel en worden indirect gestraft voor het foute gedrag van hun geliefde. Ze moeten afscheid nemen van iemand om wie ze geven (hoe slecht het gedrag ook). De hel begint al met de langlopende procedures (waar een doodstraf boven hangt). Dit kun je deze mensen niet aandoen. Het is niet rechtvaardig.

Overig

22. Het zal leiden tot sympathie voor de dader.
Het is vreemd maar sommige mensen zullen juist sympathie krijgen voor iemand die de doodstraf heeft gekregen. Denk aan de Amerikanen die penvrienden worden met misdadigers die on deathrow zitten. Dit - een soort heldenstatus - moeten we zoveel mogelijk voorkomen.

23. Internationaal recht staat de doodstraf in de weg.
Ook al zouden we dit in Nederland willen, dan is dit Europees en Internationaal-rechtelijk erg lastig om in te voeren. Diverse verdragen staan dit in de weg. Het opzeggen van deze verdragen heeft diverse andere consequenties.

24. Het gaat tegen veel geloven / levensbeschouwingen in.
Diverse levensbeschouwingen schrijven voor dat je de ander niet mag doden. Veel mensen zullen tegen de doodstraf zijn omdat dit botst met hun geloof dan wel hun ideeën over wat een goed leven is (bijvoorbeeld vanuit de humanistische traditie).

25. Het is de deur openzetten voor meer en erger.
Als laatste reden moet je misschien wel zeggen dat het toestaan van de doodstraf kan leiden tot andere lijfstraffen. Straks krijgen we nog stokslagen. Je moet op geen enkele manier een straf invoeren die het schaden van mensen in zich heeft. Dit om erger te voorkomen. Ook omdat je niet weet welke regeringen op de huidige nog zullen volgen.

Tot slot
Niet alle argumenten zullen je hopelijk en waarschijnlijk overtuigen. Dat is ook niet het doel van deze analyse. Het enige doel is om de argumenten tegen de doodstraf helder te krijgen. Het is nog geen evaluatie van de argumenten tegen de doodstraf. Laat dus ook de (toevallig) hierboven gekozen volgorde van argumenten je niet beïnvloeden.

Succes met het schrijven van een betoog over de doodstraf!

Lezen we in de uitspraak inzake de dodenherdenking Vorden te veel de persoonlijkheid van de rechter?

Graag wijs ik nog op het artikel op het weblog van NRC, geschreven door Folkert Jensma, over de vraag of een rechter de burgemeester mag verbieden om Duitse soldaten te herdenken op 4 mei. Het stuk en de uitspraak zijn om drie redenen interessant.

1. Ten eerste om het juridisch inhoudelijke vraagstuk zelf. Mag een rechter inderdaad een burgemeester verbieden Duitse soldaten te herdenken op 4 mei indien hiertoe wordt verzocht door het FJN? Op het weblog een analyse en een aantal commentaren van juristen op deze inhoudelijke rechtsvraag. Wat schrijft het recht voor? Was bijvoorbeeld het FJN wel ontvankelijk?

2. Ten tweede - en dit is wel nauw verbonden aan het eerste punt - doet de vraag zich voor in hoeverre we in deze uitspraak de persoonlijkheid van de rechter terugzien. Dit bij afwezigheid van duidelijke juridische gronden. Oordeelt de rechter deugdelijk? Een reactie op de NRC-site:
"Angst is een slechte raadgever; dat blijkt ook hier maar weer. De Vordenaren hebben dat laten zien door, op een enkeling na, zelfstandig langs de Duitse graven te lopen, hoewel de burgemeester dat niet deed. Een wat mij betreft prachtig, heel adequaat en ontroerend antwoord op de vrees van de rechter."
Speelt angst? Speelt een conservatieve insteek? Er zitten in ieder geval verschillende verzwegen elementen in het betoog. Elementen die om toelichting vragen. Bijvoorbeeld de verzwegen normen:
- Een nieuwe insteek van de dodenherdenking als deze mag niet onmiddellijk plaatsvinden indien een belangrijk deel van betrokkenen hiermee in algemene zin niet instemt
- Dit mag helemaal niet als er ook al geen sprake is van enig streven naar verwerving van draagvlak.
Ook is de ondersteuning voor diverse feitelijke voorspellingen nog onduidelijk:
- Sommige mensen in een grote menigte zullen, zonder enige waarschuwing of andere voorzieningen, gedwee de burgemeester volgen om onverhoeds te bemerken dat ze bij Duitse oorlogsgraven staan.
- Dit zal leiden tot verwarring en verdeeldheid onder deze mensen.
- Dit zal de burgemeester worden aangerekend want deze dient met de gevoelens van de burgers rekening te houden.
- Mensen zullen niet inzien - of begrijpen - dat iemand de begraafplaats als burgemeester betreedt en als ambteloos burger zal verlaten. 
3. Ten derde is interessant om de reacties op het artikel te bestuderen. Wat opvalt is hoeveel mensen de houding van de betrokken Joodse organisatie(s) laten meewegen in hun oordeel. Is dit echter wel zuiver? Ad-hominem-argumentatie? Had de rechter wel een gelijkluidende uitspraak mogen doen als verzoekers zich anders hadden opgesteld?

• De Uitspraak: Mag de burgemeester worden verboden Duitse soldaten te herdenken op 4 mei?, NRC, 09-05-2012
• De Uitspraak, Rechtspraak.nl, 04-05-2012

Recensie: Soeteman en Rosier - Met kracht van argumenten, een inleiding tot het beoordelen van juridische argumentaties

Boek: Met kracht van argumenten
Auteur: Arend Soeteman en Theo Rosier
Uitgave: Ars Aequi Libri (2010)
_____________________

Het boek Met kracht van argumenten wil een inleiding geven tot het beoordelen van juridische argumentaties. Het richt zich dus - op wat de schrijvers zelf ook noemen - passieve taalbeheersing. Het gaat om het kunnen onderkennen en beoordelen van argumentaties. De stap naar actieve taalbeheersing wordt niet gemaakt. Studenten die het boek gebruiken - al zal dit natuurlijk afhangen van hoe het boek precies gebruikt wordt - zullen niet leren zelf argumentaties op te zetten en te produceren.

De schrijvers hanteren als vooronderstelling dat juridische argumentaties in de eerste plaats gewone argumentaties zijn. Soeteman en Rosier gaan dus ervan uit dat de criteria die gelden voor argumentaties in het algemeen ook gelden voor juridische argumentaties. Deze aanpak valt te verdedigen. Dit bepaalt echter wel direct wat de lezer van het boek mag verwachten. De schrijvers geven in deel I - met als subtitel Juridische Argumentatie - eerder een inleiding in de algemene argumentatieleer dan een introductie in juridisch argumenteren. Met name door de voorbeelden ziet de lezer dat de doelgroep in beginsel de jurist is.

Wat ik een sterk onderdeel van het boek vind, zijn de twee hoofdstukken over de drogredenen. De plaats van drogredenen binnen het recht is soms wat lastig. Nu zijn binnen beleidsdiscussies of politieke discussies drogredenen aan de orde van de dag. Onderwijs hierin - aan bijvoorbeeld politici in opleiding, studenten beleidswetenschappen of beleidsmakers - behoeft om die reden weinig toelichting. Bij juristen ligt dit volgens sommige auteurs anders. Soeteman en Rosier maken echter door de gekozen voorbeelden op een sterke manier duidelijk waarom ook juristen kennis moeten dragen van de drogredenen. Al was het al om het analytisch vermogen aan te scherpen.

Het boek is gebaseerd op materiaal dat eerst als syllabus is ingezet aan de juridische faculteit van de Vrije Universiteit. Hier toont zich een mindere kant van het boek. Het blijft op punten een syllabus. Treffend:
"Met kan het betoog vollediger maken door verzwegen premissen aan te vullen. Maar dat vereist wel enig gepuzzel en denkwerk. Van u wordt niet verlangd dat u op het tentamen zulke ingewikkelde reconstructies van een betoog als hierboven kunt geven, laat staan de nog ingewikkelder verdere invulling. (bladzijde 58).
Deel II - dat gaat over het analyseren van uitspraken - hangt waarschijnlijk om dezelfde reden er wat bij. In dit deel van het boek zijn uitspraken opgenomen die de student kan analyseren. Hiertoe wordt een stappenschema gegeven zonder enige toelichting. Ook ontbreekt een voorbeelduitwerking. Mogelijk werkt dit wel voor de colleges die gegeven worden aan de VU maar een geïnteresseerde niet-student lezer kan hier weinig mee. Desondanks betreft dit wel bijna de helft van het boek. De uitspraken zijn ondertussen via cgb.nl of rechtspraak.nl of via een juridische databank ook te vinden. Een gemiste kans?

Het boek sluit wel positief af, namelijk met oefenopgaven. Dit is mooi. Een index ontbreekt.

Mijn eindconclusie is dat het boek - in het rijtje boeken over juridisch argumenteren - geen uitschieter is. Het geeft een goede algemene inleiding in argumentatietheorie, maakt middels leuke voorbeelden een goede koppeling met het juridische maar kent ook een aantal grote bezwaren die waarschijnlijk vooral voortkomen uit het feit dat het eerst een syllabus was, gericht op een specifieke groep studenten.

Recensie: Van Dijk, Hiemstra en Conijn - Argumenteren voor juristen

Boek: Argumenteren voor juristen
Auteur: A.J. van Dijk (red), W.H. Hiemstra en H. Conijn
Uitgave: Noordhoff Uitgevers (2012)


_____________________

De laatste maanden zijn een aantal boeken uitgekomen die het juridisch argumenteren als onderwerp hebben. Noordhoff Uitgevers komt met het boek Argumenteren voor juristen, geschreven door Van Dijk, Hiemstra en Conijn.

Het is trouwens meteen opletten. Onder dezelfde titel verscheen eerder een boek van Van Eemeren, Feteris, Grootendorst, e.a bij dezelfde uitgever (destijds nog onder de vlag van Wolters-Noordhoff). Dit boek wordt echter niet meer uitgegeven. Dat ook de uitgever dit gegeven lastig vindt, blijkt wel uit hun verwijzing op de website naar de 4e druk van het boek. Het is toch echt de eerste druk:


Vorm
Het boek onder redactie van Van Dijk is wat mij betreft aan de prijzige kant. Voor € 35,50 mag een student in ieder geval van een studieboek iets verwachten. De eerste indruk is echter positief. Qua vorm heeft Noordhoff weer een fraai boek uitgegeven. Mooie opmaak, duidelijke hoofdstukindeling en een prettig gebruik van samenvattingen. Daarnaast zijn in het boek studievragen en antwoorden opgenomen, dus prima. Ieder hoofdstuk begint met een kleine casus, soms relevant, soms minder, maar altijd toegankelijk geschreven. Persoonlijk vind ik het een minpunt dat er geen directe bronverwijzingen zijn. Juist van een boek dat een ander moet aanzetten tot goed argumenteren verwacht ik - als voorbeeldfunctie - directe nootverwijzingen.

Inhoud
De schrijvers pretenderen een studieboek als ook een naslagwerk geschreven te hebben met Argumenteren voor juristen. De focus lijkt - door het ontbreken van directe verwijzingen - te liggen op het eerste. Zeven hoofdstukken moeten ervoor zorgen dat de student vaardig wordt in juridische argumentatie. De opbouw lijkt als gezegd logisch: eerst wordt de context beschreven (hoofdstuk 1), dan volgt een beschrijving van argumenteren in het algemeen (hoofdstuk 2 en 3), vervolgens wordt de focus gelegd op argumenteren in een juridische context (4 en 5) om vervolgens af te sluiten met het overbrengen van een betoog (hoofdstuk 6 en 7).

Een belangrijk bezwaar van het boek is misschien wel dat de lezer de indruk kan krijgen dat willekeurig een aantal theorieën en/of ideeën te moeten lezen zonder dat duidelijk is wat hij of zij hier mee aan moet. Zo wordt in het eerste hoofdstuk het verschil tussen ethos-pathos-logos - zoals beschreven door Aristoteles in de Retorica - uitgelegd. M.i. had nog veel sterker beschreven kunnen worden wat de student hier vervolgens mee kan. Ik had bijvoorbeeld verwacht dat in de latere hoofdstukken hier veel meer gebruik van was gemaakt, inclusief voorbeelden (er wordt wel naar verwezen in hoofdstuk 2 en 6 maar dit is erg minimaal). Het eerste hoofdstuk is sowieso niet het sterkste hoofdstuk. Ondanks dat het inleidend van aard is, is het vreemd dat er bij de argumentatietips bijvoorbeeld een opdracht wordt beschreven die niet eerder aan de orde is gekomen (zoals het in kaart brengen van pro- en contra-argumenten; dit wordt pas behandeld in hoofdstuk 2).

De daarop volgende hoofdstukken zijn beter. Het onderdeel argumenteren - hoofdstuk 2 - is mooi uitgewerkt. Met name 2.1 is sterk. De zorg die bijvoorbeeld is besteed aan de signaalwoorden - ook wel bekend als argumentatieve indicatoren - is prettig. We zien duidelijk een neerlandicus aan het werk. Ook in hoofdstuk 3 zien we - bijvoorbeeld in het onderdeel drogredenen (3.3.3) - een gelijke overzichtelijke aanpak. Misschien wordt wel in het deel dat in hoofdstuk 3 hieraan vooraf gaat wel te veel aandacht besteed aan de deductieve argumentatie. De argumentatie-liefhebber vindt het interessant om te lezen over de Eulercirkels maar voor de student Rechten in opleiding is dit misschien minder relevant?

Hoofdstuk 4 begint sterk. In dit hoofdstuk wordt de verbinding tussen recht en argumentatie gelegd. De aanpak is gestructureerd en wordt begeleid met veel voorbeelden. De diverse rechtsbronnen worden langsgelopen: eerst worden rechtsregels geanalyseerd en wordt het verschil tussen cumulatieve, noodzakelijke, alternatieve en voldoende voorwaarden uitgelegd. Vervolgens komt de rechtspraak/jurisprudentie, wetsgeschiedenis en de juridische literatuur aan de orde. Hoofdstuk 5 geeft een stappenplan voor het aanpakken van een juridische casus. Ook dit deel is goed te volgen mede doordat een voorbeeld wordt uitgewerkt.

De overgang naar hoofdstuk 6 en 7 is groot. De verbinding met bijvoorbeeld het stappenplan uit hoofdstuk 5 had veel explicieter beschreven moeten worden. Wordt bijvoorbeeld in hoofdstuk 6 - over tactiek en strategie - een nieuw of een aanvullend stappenplan gegeven? Het zevende hoofdstuk dat over pleiten gaat, kent hetzelfde bezwaar. De uitleg is prima maar het onderdeel is wat lastig te plaatsen ten opzichte van de eerdere hoofdstukken. Zo wordt uitgelegd dat in de romp van een juridisch betoog een argumentatie moet komen (blz. 167) maar wordt niet aangesloten bij de presentatievolgorde die beschreven wordt in hoofdstuk 2 (blz. 43). Een gemiste kans?

Mijn inhoudelijke eindconclusie is dat het boek Argumenteren voor juristen veel goede onderdelen kent. Het grootste bezwaar is dat de onderlinge samenhang tussen deze onderdelen wat mij betreft veel sterker beschreven (en vaker herhaald) had mogen worden. Sommige onderdelen lijken daarnaast wat ad hoc gekozen te zijn. De valkuil kan zijn dat een student 'gaat zwemmen'. Maar de uitleg die van de verschillende onderdelen vervolgens wordt gegeven, is gelukkig prima. Toch meer naslagwerk dan ik op het eerste oog had verwacht?

Media-aandacht? Rechter milder in vonnis.

Verdachten, bijvoorbeeld van fraude, profiteren van publiciteit rond hun zaak. In ruim driekwart van deze strafzaken leidt media-aandacht tot een milder vonnis van de rechter, zo meldt jurist Anne de Groot in NRC na analyse van vijfhonderd strafuitspraken van de laatste drie jaar.

• Media-aandacht voor fraudezaken leidt vaak tot milder vonnis rechter, NRC, 07-04-2012

Powned duidt onderzoeksresultaten objectiviteit rechters

Hoe met onderzoeksgegevens aan de haal te gaan? Enkel citaten:
- Kleurtje wordt eerder als crimineel aangewezen.
- Afkomst bepaalt de strafmaat.
- De rechterlijke macht is kortom enigszins bevooroordeeld.

De kenner ziet trouwens (door het gebrek aan tegenvoorbeelden) dat de interviewer in de reportage onbewust waarschijnlijk een andere bekende cognitieve valkuil bevestigt. Voor de liefhebber:



• Onderzoek: Mensen met een niet-buitenlands uiterlijk worden minder zwaar gestraft?, Rechtsethiek.nl, 15-03-2012

Ina Post: Hoe een onschuldige schuld bekent

In het verleden hebben we reeds veelvuldig aandacht besteed aan de waarde en onwaarde van bekentenissen. Op NRC een posting van Steven de Jong aangaande dit onderwerp. Interessant leesvoer voor het begin van het weekend? Met onder andere onderstaande video over Ina Post (Profiel Human) en een verwijzing naar het artikel in de NYT van David Shipler.

Get Microsoft Silverlight Bekijk de video in andere formaten.

• Zo verleid je een onschuldige verdachte tot een valse bekentenis, NRC, 24-02-2012
• Why Do Innocent People Confess?, The New York Times, 23-02-2012

Moet een rechter een foetus van 17 weken in bescherming nemen? Uitspraak op het snijvlak van recht en ethiek.

In het Reformatorisch Dagblad een mooie analyse van het oordeel van de Dordtse rechtbank dat een zeventien weken oude foetus niet in bescherming kan worden genomen. Omdat de familie van de moeder eropuit zou zijn het leven van het kindje te ontnemen (i.v.m. schending familie-eer) zou de foetus bescherming nodig hebben. De rechtbank concludeerde dat een verzoek tot bescherming pas mogelijk is als de foetus ouder is dan 24 weken. Tot die grens mag immers in Nederland een kind worden geaborteerd.

Opvallend is dat de Amsterdamse rechtbank vorig jaar wel een foetus van zestien weken wilde beschermen voor de moeder zelf. In deze zaak was de moeder cocaïneverslaafde en psychisch ziek. De casus is interessant omdat de kwestie duidelijk op het snijvlak is van recht en ethiek.

Mr. W. Kastelein, gezondheidsrechtspecialist bij KBS Advocaten in Utrecht, over de uitspraak van de Amsterdamse rechtbank:
„Eigenlijk kan die uitspraak niet. Misschien is de beslissing wel wenselijk, maar zij staat op gespannen voet met ons recht. Juristen zijn het er over het algemeen over eens dat een foetus van zestien weken geen rechtssubject is.”
De argumentatie van de rechter:
5. De beoordeling

5.1. De moeder is op het moment van de uitspraak zeventien weken zwanger van de ongeboren vrucht. Derhalve dient voorafgaand aan de vraag of een voorlopige ondertoezichtstelling - hangende het beschermingsonderzoek van de Raad - geboden is, beoordeeld te worden of de ongeboren vrucht reeds bescherming toekomt, als bedoeld in artikel 1:2 van het Burgerlijk Wetboek.

5.2. De meeste mensenrechtenverdragen bieden bescherming aan het leven. De verplichting het menselijk leven te beschermen vangt aan vanaf de geboorte, maar het is aan verdragsstaten of zij ook ongeborenen onder het beschermingsbereik van dit recht willen laten vallen. Mensenrechten bevatten immers minimumnormen. Bij de totstandkoming van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) is geprobeerd een voor iedereen aanvaardbaar compromis te vinden over de juridische status van de ongeborene. Dit heeft zijn neerslag gevonden in de preambule van het IVRK, waarin is bepaald dat het kind 'bijzondere bescherming en zorg nodig heeft, met inbegrip van geëigende wettelijke bescherming, zowel voor als na zijn geboorte’. Een preambule schept geen juridische verplichtingen voor verdragsstaten, maar biedt een basis voor interpretatie van de verdragsbepalingen en verduidelijkt de doelen van het verdrag (art. 31 lid 2 Weens Verdragenverdrag). Artikel 2 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) beschermt het recht op leven van eenieder. In de zaak Herz benadrukt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat de Staat het leven niet opzettelijk mag beroven, maar dat de foetus geen zelfstandig recht op leven toekomt. Het Hof sluit niet uit dat in bepaalde verdragsstaten de foetus wel bescherming geniet onder artikel 2 EVRM. Vanaf welk moment het leven begint, valt binnen de ‘margin of appreciation’ die verdragsstaten toekomt.

5.3. De foetus zelf is volgens het Nederlands recht geen drager van rechten. Hij heeft noch recht op zwangerschapsafbreking, noch recht op leven. Strafbaar is alleen de zwangerschapsafbreking na de levensvatbaarheidsgrens: 'Onder een ander (…) van het leven beroven wordt begrepen: het doden van een vrucht die naar redelijkerwijs verwacht mag worden in staat is buiten het moederlichaam in leven te blijven' (artikel 82a van het Wetboek van Strafrecht). Door de medische wetenschap in Nederland is de levensvatbaarheidsgrens thans vastgesteld op 24 weken nadat de bevruchting heeft plaatsgevonden. Na deze termijn kan, met behulp van de medische wetenschap, een foetus van 24 weken in leven worden gehouden.

5.4. De zelfstandige levensvatbaarheid van een foetus, en daarmee de duur van de zwangerschap, is gelet op het voorgaande bepalend voor de vraag of aan de ongeboren vrucht op enige wijze bescherming toekomt. Nu de moeder zeventien weken zwanger is, komt de ongeboren vrucht geen bescherming toe en kan een maatregel van voorlopige ondertoezichtstelling niet worden uitgesproken. Toewijzing van het onderhavige verzoek zou thans impliceren – nu de ongeboren vrucht de levensvatbaarheidsgrens nog niet gepasseerd heeft – een voorlopige ondertoezichtstelling van de meerderjarige moeder, welke maatregel geen steun vindt in het recht. De verzoeken tot ondertoezichtstelling en voorlopige ondertoezichtstelling zullen dan ook worden afgewezen.
• „Begrijpelijk dat rechter foetus beschermt”, Reformatisch Dagblad, 23-02-2012
• De uitspraak Rechtbank Dordrecht LJN: BV6246, Rechtspraak.nl, 20-02-2012

Laat de notaris zich foppen door de 'klaargestoomde' demente?

In de NRC van vandaag is de reactie te lezen van Geertjan Sarneel, voorzitter van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie, op het artikel van Philip Kooke van 3 februari in dezelfde krant. Kooke stelde in zijn artikel dat van notarissen niet kan worden verwacht dat zij dementie kunnen herkennen. Medische professionals vinden het immers ook al lastig genoeg. Kooke schreef het stuk naar aanleiding van de komst van het stappenplan dementie.

Sarneel stelt dat het betoog van Kooke te eenzijdig is:
'Zo gaat hij volledig voorbij aan het principiële recht van zelfbeschikking, waarbij anderen niet zomaar kunnen ingrijpen in iemands leven [...] Het recht van iemand om zijn nalatenschap te regelen zoals hij dat zelf wil, is zo sterk juridisch verankerd dat de notaris bij wet verplicht is een testament op te maken als iemand daarom vraagt. De notaris behoort daarbij te allen tijde kritisch te beoordelen of de rechtszekerheid die hij met zijn dienstverlening biedt, goed is gewaarborgd. [...]'
Een aardige discussie. Abonnees kunnen meer lezen in:
• Notaris laat zich foppen bij 'klaargestoomde' demente; Misbruik van verzorgers bij dementie blijft op de loer liggen, NRC (abonnee), 03-02-2012
• 'Klaargestoomde' demente heeft ook recht op notaris, NRC (abonnee), 09-02-2012

Vlaamse rechter veroordeelt wegpiraat tot lezen A.F. Th. van der Heijden's Tonio (update)

De Belgische politierechter D'Hondt heeft een wegmisbruiker naast een boete ook veroordeeld tot het lezen van een boek van A.F.Th. van der Heijden. De opdracht is om Tonio te lezen met als doel de overtreder te laten inzien wat gevaarlijk rijgedrag kan veroorzaken. Dit meldde o.a. de Volkskrant. Het boek gaat over het verlies van zijn enige zoon in mei 2010 door een verkeersongeval.

Van der Heijden is verheugd met de beslissing van de politierechter, zo meldt De Standaard:
‘Als de wegpiraat daardoor tot inkeer komt, dan heb ik het in elk geval niet voor niets geschreven'
• Belgische snelheidsduivel moet boek A.F. Th. van der Heijden lezen>, Volkskrant, 28-01-2012
• Van der Heijden: ‘Hopelijk krijgt uitspraak navolging', De Standaard, 30-01-2012
• ‘Kleine kans dat verplichte literatuur blijft hangen’, De Stentor, 31-01-2011
• Recensie: Tonio. Een requiemroman – A.F.Th. van der Heijden, Vrij Nederland, 31-05-2011

Knoops: gerechtelijke dwalingen door mis-identificatie blijven reëel probleem in de VS

Naar de betrouwbaarheid van getuigen in strafzaken moet door juristen altijd goed worden gekeken. Identificatie door ooggetuigen is namelijk niet zonder problemen. Allerlei cognitieve valkuilen maken een identificatie een reëel probleem (zie ook hoofdstuk 2 van het boek Kritisch Denken in de Rechtspraktijk). Desondanks heeft het Amerikaanse gerechtshof in een uitspraak vorige week bij meerderheid geconcludeerd dat er toch geen extra voorwaarden hoeven te worden gesteld aan dergelijke bewijzen. Aldus Geert-Jan Knoops in zijn column eerder deze week op BNR.
"Een ooggetuige-verklaring behoeft enkel zorgvuldig getoetst te worden als sprake is van wangedrag aan de zijde van de opsporing."
Zoals eerder is gemeld is Knoops’ advocaten per 1 januari 2012 toegetreden tot het wereldwijde Innocence Network. Organisaties die aangesloten zijn bij dit netwerk komen op voor de belangen van personen die onterecht zijn veroordeeld. Knoops constateert in zijn column dat door de uitspraak van het Amerikaanse gerechtshof ook in 2012 gerechtelijk dwalingen op grond van mis-identificaties (helaas) blijven voorkomen.



• Podcast/Column Geert-Jan Knoops, BNR, 17-01-2012
• High Court Reverses Conviction in Killings, NY Times, 10-01-2012
• Knoops' innocence project, Knoops' advocaten

Wanneer redeneert een rechter oneigenlijk? De TC/Tubantia bericht.

Onderzoekers die voor een dilemma staan, een rechtbank die dit inziet maar ook onzeker is over de toekomstige opvangmogelijkheden, een advocaat die aandacht voor een zaak probeert te krijgen op een wijze die niet iedereen omarmt (zie reacties) en een krant die interessante, uitnodigende TBS-verhalen wil vastleggen. Zie hier de ingrediënten voor een bericht in de TC/Tubantia over een jongen van 17 die TBS is opgelegd door de kinderrechter. Waarom deze tip? Om de volgende regel uit het vonnis:
Alles afwegende volgt de rechtbank deze, wellicht oneigenlijke, redenering.

• Jongen die praat met Dombo in tbs, TC/Tubantia, 27-12-2011

Rechters over risico's meervoudige behandeling

Rechtspraak.nl bericht n.a.v. de Dag des oordeels, een studiedag van opleidingsinstituut SSR voor rechters over de voordelen en nadelen van meervoudige behandeling van zaken. De grootste risico's bij meervoudige behandeling van zaken zullen vaste lezers van dit weblog niet verrassen:

- tijdsdruk, vermoeidheid en onvoldoende uitwisseling van dossierkennis kan een negatieve invloed hebben op een goede besluitvorming (onderzoek UvA, Carsten de Dreu en Femke ten Velden).
- het psychologisch meganisme van ‘verankering’ kan rechters parten spelen. Daarbij kan men zich, bij het nemen van beslissingen, onbewust laten leiden door informatie die mogelijk niet ter zake doet.
- een verkeerd gebruik van intuïtie kan tot ernstige foute beslissingen leiden (onderzoek EUR, Jeffrey Rachlinski).

Dagvoorzitter Marc Loth, lid van de Hoge Raad, concludeert: ‘Ons brein is feilbaar en je moet je daarvan bewust zijn’. Enkele reacties op de site van het SSR.

• Weten drie rechters meer dan één?, Rechtspraak.nl, 09-12-2011
• Verslag studiedag, Rechtspraak.nl, 09-12-2011
• Reacties dag van het oordeel, SSR, 12-12-2011

Inez Weski: een pitbull in toga

Get Microsoft Silverlight Bekijk de video in andere formaten.

Voor wie het gemist heeft: de uitzending van KRO's Profiel over Inez Weski is ook online te zien. Over authenticiteit, eigenzinnigheid, humor, karakter, gedegenheid, belangenbehartiging, de positie van vrouwelijke advocaten binnen de (top) strafrechtadvocatuur, intuïtie, moed en inzet. Veel eigenschappen die verbonden zijn aan de kritische houding.

Helaas is het profiel weinig kritisch van aard of het moet zijn dat ze te hard werkt en (te) veel op tv te zien is. Gelukkig maakt de afsluiter nog wat goed. Weski legt hier op een heldere wijze uit waarom volgens haar een paternalistische houding niet bij de rol van advocaat past (vanaf 32:54).

Voor de liefhebber, voor de verloren uurtjes.

• Inez Weski, een pitbull in toga, KRO, 12-10-2011
• TV vooraf: Inez Weski is een pitbull met een toga aan, BN De Stem, 12-10-2011

De nieuwe gedragscode Rechtspraak: het einde of het begin van het zelfstandig denken?

De NVvR heeft de nieuwe gedragscode voor rechters gepubliceerd: de rechterscode. In de NVvR-rechterscode ligt - zo lezen we op de website van de vereniging - het accent op de eigen verantwoordelijkheid van rechters en op hun eigen bewustzijn van de gevolgen en de impact van hun gedrag en handelen als rechter. De code moet referentiekader zijn voor het rechterlijk handelen waarnaar rechters zich kunnen richten bij de uitoefening van hun werkzaamheden. Mede omdat het rechterschap van invloed kan zijn op het privéleven van de rechter wordt in de code ook hier aandacht aan besteed.

Is deze code nu wenselijk of niet? Het is een vraag die bij iedere nieuwe of geactualiseerde gedragscode opborrelt. Er zijn namelijk meerdere redenen om geen code te willen. Met name de beroepsbeoefenaar is van oudsher van mening dat de code niet nodig is. Wij rechters, advocaten, journalisten, verpleegkundigen, docenten, ... hebben een dergelijke code niet nodig want wij weten wel wat mag of niet mag. Zoals ook NVvR-voorzitter Reinier van Zutphen het verwoordt op de site van MR-Online:
“Er zijn collega’s die een gedragscode onnodig vinden, omdat rechters vanuit hun eigen professionaliteit zelf wel weten hoe het hoort”.
Omdat de buitenwereld hier geen genoegen meer mee neemt (populair blijft "wij van wc-eend...") en deze buitenwereld wil weten wat ze van de professional kan verwachten, wordt deze reden door steeds minder beroepsverenigingen nog omarmd. Aanzien, deskundigheid, integriteit, het wordt steeds minder verondersteld aanwezig te zijn maar moet getoond worden. De maatschappij wil zelf kunnen oordelen over de ander. Opnieuw Reinier Van Zutphen:
“Degenen die een beroep op rechters doen, moeten weten waar ze op mogen en kunnen rekenen."
Moeten of willen? De gedragscode Rechtspraak is in ieder geval publiek gemaakt.

Twee bezwaren kunnen het functioneren van de gedragscode in de toekomst in de weg gaan staan. Het eerste bezwaar is dat een gedragscode een afrekencode van rechters wordt. De "kritische" burger: "Rechter X had dit niet mogen doen want dit staat in de rechterscode". Deze extern corrigerende functie van een gedragscode maakt veel beroepsbeoefenaren sceptisch over een code. Professioneel handelen laat zich misschien makkelijk waarderen maar lastiger normeren. Voor rechters staan bijvoorbeeld de kernwaarden onafhankelijkheid, autonomie, onpartijdigheid, deskundigheid, professionaliteit en integriteit voorop. Maar welk beroep wil dit niet? Zien we in deze kernwaarden de rolopvatting van de rechter terug? En niet onbelangrijk, kunnen we deze kernwaarden relateren aan de rechtsstaat waarin de rechter zich geplaatst ziet? De huisvraag aan de lezer is welke van deze kernwaarden afwijkt van de notaris of die van de advocaat. Het gevolg: normeren.

Een tweede bezwaar die de werking van de code kan verminderen, is dat het zichzelf mogelijk in schiet. Een code - als ook de rechterscode - vraagt om autonome, professionele keuzes maar de code zal dit zelf, zo is dan de stelling, in de weg gaan staan. De rechter zal zich niet meer uitgenodigd zien om te na te denken maar zal enkel de vastgelegde norm raadplegen. Margreet Ahsmann, hoogleraar rechtspleging aan de Universiteit Leiden en senior rechter bij de rechtbank Den Haag, verwoordt dit op de site van MR-Online als volgt:
“Door regels te stellen en het allemaal zo vast te leggen, houd je de rechter af van zelfstandig denken en van zijn eigen verantwoordelijkheid. Het lijkt nu te veel op een norm die moet worden toegepast, terwijl het erom gaat dat je de onderliggende gedachte tussen de oren hebt.”
Inderdaad een belangrijk aandachtspunt. Staat de rechterlijke macht er immers niet om bekend dat het intern weinig corrigerend vermogen heeft? Is het niet lastig om als rechter een andere rechter aan te spreken? Het zou jammer zijn als de code het tegenovergestelde gedrag oproept. Want een gebrek aan (openheid over) een intern corrigerende cultuur kunnen we de rechterlijke macht nauwelijks kwalijk nemen. Hiermee toont de rechterlijke macht namelijk enkel een menselijke kant die in het algemeen onze aandacht moet hebben. Want ook bij andere beroepen - in het onderwijs, in de journalistiek, in de zorg (denk aan Het Scheper Ziekenhuis in Emmen) - zien we dezelfde problemen: dat het lastig is om een collega aan te spreken op wangedrag én dat het lastig is om je kwetsbaar op te stellen en je eigen dilemma's en twijfel te delen met collega's. Ook onderzoek wijst uit: commitment maakt minder kritisch.

Ook rechters hebben om die reden externe partijen nodig om de boel scherp te houden, maar ook om zelfstandig te blijven denken. Omdat het zich conformeren aan de norm niet altijd de oplossing is. Daarom een klein gedachte-experiment: wat als een kritisch, zelfdenkend rechter weloverwogen tot een keuze komt die in strijd is met de rechterscode? Accepteren we dat nog? Wie iets van morele dilemma's afweet, weet wat het antwoord zou moeten zijn.

• Gedragsregels rechters aangescherpt, MR-Online, 11-10-2011
• NVvR-rechterscode, NVvR (vastgesteld 26-09-2011)

Juridische vs natuurwetenschappelijke methode:kritiek collega-rechter gewenst?

(tip voor verdere lezing: lees de NRC-column van Folkert Jensma, Kritiek onder rechters is ongewenst)

De vraag die een kritisch denker zich bezig houdt, is: "hoe weet je dat een bewering geldig is?". Het is een zoektocht naar betrouwbare kennis voor de beweringen die worden gedaan. Het is ruim 2000 jaar geleden begonnen met de eerste filosofen en wiskundigen. Reeds Euclides (2000 jaar geleden) wist hierbij het belang van heldere definities: wat is de definitie van een vlak? wat is precies een lijn? Et cetera.

In de 16e/17e eeuw zagen we in de natuurwetenschappen de opkomst van de experimentele wetenschappelijke methode als aanpak om de wereld te kunnen kennen. Van de empirische wereld kunnen we helaas minder de waarheid bewijzen als van de wiskundige wereld maar door allerlei wetenschappelijke methodes (door experiment, controle, correctie en verbetering) kunnen we wel komen tot een zo groot mogelijke betrouwbaarheid. Als een middel getest wordt moet de wetenschapper met genoeg proefpersonen werken, moet dubbel-blind het middel onder de proefpersonen zijn uitgezet en zullen meta-analyses de betrouwbaarheid van de conclusie bevestigen. Nu wordt het belangrijk voor ons. Vervolgens worden namelijk de resultaten gepubliceerd waarbij collega-wetenschappers de resultaten gaan bestuderen en kritisch gaan beschouwen. Op congressen of via wetenschappelijke tijdschriften worden de resultaten bevestigd of aangevallen. Niet leuk, vaak frustrerend (jarenlang onderzoek wordt onderuit gehaald) maar voor de werking van het natuurwetenschappelijk systeem essentieel. Omdat we weten dat de mens soms niet meer alles helder ziet (tunnelvisie ligt op de loer) of alles kan bezien, moet het systeem wel zorgen voor betrouwbare uitkomsten. Transparantie van de beweringen en de ondersteunende argumentatie en het kunnen uiten van kritiek door collega-experts is hierbij fundamenteel. In principe en even los van financiële beperkingen toegankelijk voor iedereen.

De juridische methode kent veel overeenkomsten. Binnen het recht worden door rechters oordelen geveld die vervolgens worden beschreven in arresten. Deze arresten kunnen vervolgens worden bestreden door de betrokkenen (beroep e.d.). Wel zijn er twee grote verschillen tussen de natuurwetenschappelijke methode en de juridische methode.

Het eerste verschil is dat binnen het recht er eerder sprake zal zijn van een definitieve beslissing. Indien over een geschil de hoogste rechter heeft geoordeeld of als bezwaar/beroepstermijnen zijn verlopen, houdt het gewoon op (uitzonderingen als het CEAS en van novum daargelaten).

Een tweede verschil is dat binnen het recht niet iedereen zich openbaar mag uitlaten over het oordeel van een rechter. De enige partij die zich niet publiek mag uitlaten over de beslissingen van rechters - als het rechterlijk functioneren in het algemeen - is de collega-rechter zelf. In een interessante column van Folkert Jensma in de NRC van vandaag wijst hij erop hoe uit de zaak "Schalken/Kop" maar weer eens blijkt dat kritiek onder rechters ongewenst is. Dit heeft zelfs een juridisch basis. Zo kan een rechter disciplinair worden bestraft indien hij "door handelen of nalaten ernstig nadeel toebrengt aan de goede gang van zaken bij de rechtspraak of het in haar te stellen vertrouwen." (artikel 46c Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren). De vraag die Jensma stelt, is of met een openbare mening als die van Peter Kop het aanzien van de rechtspraak inderdaad wordt geschaad.

Deze laatste vraag kunnen we op vele manieren onderzoeken. We kunnen het om te beginnen meten. Gelijk aan het onderzoek naar het aanzien van de rechtspraak na het proces Wilders (verrassend: meer aanzien). We kunnen ook het Nederlandse juridisch systeem vergelijken met bijvoorbeeld dat van Amerika, Frankrijk of Duitsland. Maar we kunnen ook de juridische methode gaan vergelijken met die van de natuurwetenschap. Het aanzien van de natuurwetenschap lijkt namelijk - in ieder geval qua gevolgde methodes - hoog.

Daarom ter overweging: zouden ook juridische beslissingen niet beter worden als iedereen publiekelijk kritiek mag geven op de inhoud? Juist als ook collega-rechters vanuit hun expertise hun ideeën uiten? Of zijn de verschillen tussen natuurwetenschap en rechtspraak te groot? Hun doel lijkt immers hetzelfde te zijn: te komen tot claims die geldig zijn. Voor de één de waarschijnlijkheid van proposities en theorieën voor de ander de juistheid van juridische beslissingen.

• Kritiek onder rechters is ongewenst, NRC, 06-08-2011
• ‘Meer vertrouwen in rechtspraak door proces-Wilders’, NRC, 13-07-2011
• Kritisch denken, Hoorcollege over het ontwikkelen van heldere ideeën en argumenten, NRC Home Academy (tip)

Contra-intuïtief: emoties verbeteren de kwaliteit van de oordeelsvorming van rechters. Bewijs?

Als een wetenschapper tot een uitkomst komt die tegen onze intuïtie ingaat dan vraagt dit om bewijs. Neem de contra-intuïtieve constatering dat de aarde rond is. Niet iedereen in de antieke oudheid (en dit ging door tot in de middeleeuwen) was hiervan overtuigd. Maar het bewijs was duidelijk. Bijvoorbeeld Aristotles wees er reeds op dat wanneer je naar het zuiden reisde dat de zuidelijke sterrenbeelden hoger boven de horizon stonden en dat dit dus moest betekenen dat de aarde rond is. Maar eigenlijk gaat dit niet enkel op voor contra-intuïtieve hypothesen. In het algemeen geldt: wie stelt die bewijst. Anders is sprake van een drogreden.

Interessant is dat Maria IJzermans van de UVT in haar promotie stelt dat emoties van invloed zijn op de rechterlijke oordeelsvorming (geen nieuw inzicht) én dat dit een goede zaak is (een nieuw inzicht). Emoties kunnen namelijk een rechter overtuigen en bijdragen aan de kwaliteit van een rechterlijk oordeel, zo is haar stelling. Van deze optimistische constatering kan natuurlijk enkel sprake zijn als de rechter zich bewust is van de emoties die spelen. Want de rechter kan zich dan bewust zijn van emotionele valkuilen die goede argumenten doet negeren.

Nu lijkt deze uitkomst de vooronderstelling te hebben dat (1) emoties correct vast te stellen en te voorspellen zijn en (2) goede argumenten en emoties niet samengaan. Hierover wordt in de wetenschappelijke literatuur echter nog flink gediscussieerd. Neem bijvoorbeeld Blumenthal (in Law and the Emotions: The Problems of Affective Forecasting), die stelt dat rechters/juryleden toekomstige emoties van anderen als de eigen emoties niet goed inschatten. Terwijl in veel juridische gevallen een inschatting van toekomstige emoties juist een belangrijke rol speelt (denk aan het strafrecht en het personen- en familierecht). Blumenthal:
This assumption is belied by psychological research on affective forecasting that demonstrates people’s inability to accurately predict future emotional states, both their own and those of others. Such inaccuracy has surprisingly broad implications for both substantive and procedural aspects of the legal system.

Het inschatten van een huidige emotie is daarnaast ook niet zonder problemen. Onderzoek laat zien dat we vaak bepaalde non-verbale lichaamsuitingen (iemand knippert veel met de ogen, kijkt naar beneden, zit onderuit) normatief waarderen (de persoon liegt, de persoon toont oprecht berouw, de persoon is lui, arrogant, et cetera) terwijl deze non-verbale uiting ook vaak cultureel of natuurlijk verklaard kan worden. Zo knipperen mensen uit Zuid-Amerika bijvoorbeeld vaker met hun ogen dan bijvoorbeeld Nederlanders. Ten onterechte denken wij dan dat we voorgelogen worden. Dit lijkt om terughoudendheid te vragen bij het interpreteren van non-verbale lichaamsuitingen die emoties uitdrukken.

Benieuwd hoe IJzermans dit beziet? Helaas is het proefschrift nog niet openbaar en enkel te koop (tegen de 80 euro). In de zijlijn opende dit bij ons een andere discussie: zou een juridisch onderzoek met deze inhoud niet openbaar moeten zijn? Moet de transparantie die van rechters gevraagd wordt ook niet gelden voor onderzoekers die dit bestuderen?

• Emoties verbeteren kwaliteit oordeelsvorming van rechters, UVT, 27-06-2011
• De overtuigingskracht van emoties bij het rechterlijk oordeel, Boom Juridische Uitgevers, uitgave 2011

"Rechters die geen snars van computers weten". Zijn de ICT-ontwikkelingen nog wel bij te houden voor een rechter?

sitestat

(vanaf 18:55)

Om te beginnen een kleine test. Wat zijn:
- IP-adressen
- Bron-codes
- Internet-verkeersgegevens
Eenvoudig? Helaas niet voor alle rechters. Rechters met een Twitteraccount als @irechter, @rijdenderechter, @judithvandes vormen niet voor niets nog een uitzondering op het internet (of dit erg is, is een vraag op zich). Een tekort aan ICT-kennis kan in ieder geval wel problematisch zijn. Althans, dat is de stelling in de uitzending van Een Vandaag van vandaag. Want als je niet alles precies begrijpt, hoe kun je dan als rechter nog wel over een zaak oordelen waar juist deze ICT-gerelateerde onderwerpen een rol spelen of kunnen spelen?

In Een Vandaag het (eenzijdig ingestoken) verhaal van programmeur Michel van Meijer. Een rechter in hoger beroep moest over hem oordelen inzake een beschuldiging van 'computervredebreuk'. Van Meijer betoogt in de uitzending dat hij veroordeeld is omdat de rechters in kwestie de ICT-gerelateerde onderwerpen niet precies begrepen. Zij lieten zich hierdoor te veel leiden door het OM. Gevolg volgens Meijer: ten onrechte schuldig bevonden.

In de uitzending worden aparte rechtbanken én het stopzetten van het roulatie-systeem als mogelijke oplossingen gezien. Interessanter is misschien de vraag of het huidige systeem te veel veronderstelt dat een rechter alles moet kunnen begrijpen en kunnen bijhouden. Is dit systeem - gezien de veranderingen in met name in de ICT - nog wel houdbaar?

• Veroordeeld door een digibete rechter, Een Vandaag, 27-01-2011