Twitter Facebook RSS Feed Email
Posts tonen met het label Oordeelsvorming (algemeen). Alle posts tonen
Posts tonen met het label Oordeelsvorming (algemeen). Alle posts tonen

Cognitieve valkuil: (te) snel betekenis geven aan feiten

Een andere veelvoorkomende cognitieve valkuil is dat we de kennis die tot ons komt, snel duiden. Vooral feitelijke beweringen voorzien we van een aanvullende betekenis door ze in ons eigen referentiekader te plaatsen. Bijvoorbeeld dat we zaken met elkaar gaan vergelijken. Iets is goedkoop, efficiënt, koud, warm, nat, hard, zacht, mooi, enzovoort. Verschillende feiten worden dan door ons aan elkaar gerelateerd. Het probleem is dat, zonder dat we dit ons beseffen, de achterliggende betekenisgeving persoonlijk is. Wat de ene persoon goedkoop, efficiënt, koud, et cetera vindt, hoeft de andere persoon nog niet te vinden. Nog los van het mogelijke probleem dat we niet alles al weten van de situatie.
 
Voorbeeld 1 
Als je het water voelt en denkt “goh, het water is niet koud” dan geef je betekenis aan de  temperatuur van het water dat op zichzelf enkel een bepaalde waarde heeft (bijvoorbeeld 18 graden). Voor jou is het – op dat moment en hoe jij je dan voelt – niet koud; voor iemand uit Midden-Afrika misschien wel?  Wanneer is iets koud? Waaraan relateer je dit? Is het niet te koud om te drinken, om in te zwemmen, om … Je oordeelt dat het water niet koud is, is op zich nog weinigzeggend.
 
Soms wordt betekenis gegeven op basis van een verondersteld denkkader van de ander.
 
Voorbeeld 2
Stel: een weerman zegt dat het een koude dag wordt omdat het maar 10 graden wordt. Dit kan betekenen: 10 graden is lager dan het normaal zou moeten zijn. Als het in voorgaande jaren bijvoorbeeld 14 graden gemiddeld was. Achter de uitspraak kan echter ook een andere veronderstelling zitten. Bijvoorbeeld de overtuiging dat 10 graden koud voor de kijkers is. Los of het gemiddeld 14 had moeten zijn. Sterker: mogelijk had de weerman bij 14 graden ook gezegd dat het koud gaat worden. We kunnen deze uitspraak als volgt opknippen:
 
Feit: Het wordt 10 graden.
Oordeel: Het wordt koud.
Veronderstelling: Als het 10 graden is, dan vinden mijn kijkers dit koud.
 
We hebben in het bijzonder de neiging om feiten moreel te willen duiden. We geven dan een morele, ook wel normatieve) betekenis aan een feit zonder ons af te vragen of we dit wel kunnen rechtvaardigen: we vinden iets snel moreel goed / niet goed, rechtvaardig / niet rechtvaardig of bijvoorbeeld eerlijk / niet eerlijk.
 
Voorbeeld 3
Net nadat een docent begonnen is met college komt een student de collegezaal in. De docent denkt “kansloos te laat, waardeloze student weer, gaat vast het vak niet halen”. Zo mogelijk denkt de student “waardeloze docent, begint te vroeg”.

Een vergelijking maken is een van de mogelijke vormen van betekenisgeving die kan plaatsvinden. Andere vormen zijn onder andere het (te) snel veronderstellen van causaliteit (het één zal wel uit het ander volgen) of het (te) snel generaliseren (alle gevallen zullen wel zo zijn).

Juist deze cognitieve neiging maken het voor beroepsbeoefenaren vaak lastig om onbevooroordeeld te zijn.

Onze gerichtheid kan gestuurd worden

Een andere cognitieve valkuil die ons professioneel oordeelsvermogen kan vertroebelen, is onze neiging de waarneming te laten sturen door de opdrachten die we van anderen krijgen. Indien we een verzoek krijgen iets te zoeken, zullen we gericht zijn op de uitvoering van de opdracht. Andere relevante informatie zien we dan over het hoofd. De opdracht beïnvloedt hierdoor onze gerichtheid, interpretatie en herinnering. Als de vragen die gesteld worden onze gerichtheid sturen, noemen we dit perceptuele waakzaamheid [1].

Als iemand aangeeft dat op deze pagina drie taalfouten staan, dan is de kans groter dat je een aantal fouten zult opmerken. En deze fouten eerder zult onthouden. Dit kan weer van invloed zijn op je oordeel over dit boek. Mogelijk kom je door deze opmerking eerder tot de conclusie dat “er zaten wel meerdere taalfouten in het boek” dan als de persoon niets had gezegd over de mogelijke taalfouten. Sterker, misschien constateer je hierbij taalfouten die helemaal geen taalfouten zijn. Omdat er drie moeten zijn, “vind” je er drie.

Reclamebureaus proberen hier – vaak zonder succes overigens – op in te spelen door ruim van te voren iets aan te kondigen en steeds langzaam een tipje van de sluier weg te geven.

Voorbeeld 1
Je hebt net een aantal alinea's gelezen. Maar welke geluiden hoorde je nu tijdens het lezen? Er bestaat een grote kans dat je dit niet meer (helemaal) zeker weet. Je bent gericht op het lezen en bestuderen van de tekst, zoals dit je mogelijk opgedragen hebt gekregen. Hierdoor sla je minder goed op wat je via je andere zintuigen hebt ervaren.

Voorbeeld 2 

Een bekend onderzoek dat laat zien hoe een gerichte vraag ook bewust gestuurd kan worden is het onderzoek van Simons & Chabris. Aan een groep proefpersonen wordt gevraagd om te tellen hoe vaak een groep jongeren een bal overgooit. In de tussentijd loopt een chimpansee door de groep en zwaait naar de kijkers. Bijna 50 procent van de personen gaf achteraf aan de chimpansee niet gezien te hebben [2]. Deze vraag laat zien dat een zoekvraag expliciet onze waarneming kan sturen.

Een speciale variant van deze valkuil is de negatieve suggestie [3]. Als iemand de opdracht krijgt om iets niet te doen, dan zijn veel mensen geneigd om het juist wel te doen. De oorzaak hiervoor ligt om te beginnen in de werking van onze hersenen. Als ik aan je vraag om niet aan een olifant te denken, dan maken je hersenen onbedoeld toch het beeld van een olifant aan. Daarnaast spelen een bepaalde rebellie en nieuwsgierigheid een rol. Stel, ik vertel je reeds dat onderaan de tekst een plaatje staat van twee bekende Nederlanders die gemeenschap hebben (standje 23!) maar dat je nu nog niet mag kijken. Niet iedereen zal het lukken om niet meteen te kijken.

Deze valkuil kan er voor zorgen dat we geen oog meer hebben voor alternatieven die buiten het verzoek liggen. We denken compleet te zijn in ons oordeel maar zijn enkel gericht aan het zoeken. Als je drie taalfouten hebt gevonden dan stop je. Terwijl er misschien wel vier taalfouten staan.

Dit kan bij (strafrechtelijke) onderzoeken problematisch worden. Als een agent wordt gevraagd om bewijs te zoeken die de schuld van een persoon bevestigt, is de kans groter dat de agent ontlastend materiaal over het hoofd ziet dan wanneer de vraag was om te zoeken naar bewijs voor de onschuld van een persoon. Je zult verderop lezen dat dit ook nog eens extra kan misgaan als de professional in kwestie zijn beroepsidealen te veel laat meewegen in zijn handelen. De redenering “Hij is schuldig want er is bewijs gevonden” kan bijvoorbeeld hierdoor in het strafrecht toch onjuist zijn: is er wel gezocht naar tegenbewijs? [4] Voor andere vakgebieden gaat dit natuurlijk ook op (denk aan de zorg).

Deze neiging kan ons ook opbreken als gesloten vragen worden gesteld die niet alle opties in zich hebben. Polls maken hier handig gebruik van. Stel ik vraag nu aan je of je dit boek goed vindt of niet. Veel lezer zullen of antwoorden dat  het een goed boek is of ze zullen zeggen dat het geen goed boek is. Andere mogelijke antwoorden worden – door de keuze van de vraag – hierdoor vergeten, zoals:

  • “het is wel ok” (inhoudelijk)
  • “goed gaat me wat ver, maar slecht wil ik het ook niet noemen” (inhoudelijk)
  • “dit kan ik pas zeggen als ik alles gelezen heb” (proces)
  • “ligt eraan waarvoor je het leest” (proces)
  • “voorlopig vind ik …” (proces en inhoud), et cetera.

Niet alleen het over het hoofd zien van andere opties is bezwaarlijk. Ook hoe iemand de vraag verwoordt – al betekent het feitelijk (zo goed als) hetzelfde – kan de uitkomst beïnvloeden. Op de vraag: “Ben je ondanks een economische crisis voor militair ingrijpen in land x? Het zal ons € 300 miljoen kosten.” zal naar alle waarschijnlijkheid een aanzienlijk lager percentage ja-antwoorden opleveren dan de vraag “Ben je ondanks een economische crisis voor internationaal militair ingrijpen in land x. Het zal ons € 300 miljoen kosten.” Enkel het woordje internationaal heeft namelijk invloed op de uitkomst. Dit wordt nog meer versterkt als genoemd is met wie we internationaal gaan ingrijpen [5]. Maar hoe relevant is dit – het internationaal-zijn, het samen-doen – voor het oordeel? Met de "juiste" vraag kun je dus iemand dichter bij het gewenste antwoord (oordeel) laten komen. De uitkomst van de oordeelsvorming wordt beïnvloed.
__________

[1]
Als je meer hierover wilt vinden: in het Engels heet dit: perceptual vigiliance.

[2]
Op internet zijn genoeg voorbeeldfilmpjes te vinden om het onderzoek zelf eens te proberen (awareness-test). In het Engels heet dit fenomeen inattentional blindness. Zie verder Simons, D.J. en Chabris, C.F., Gorillas in our midst: sustained inattentional blindness for dynamic events, in: Perception, 1999, Vol. 28 (9), bladzijde 1059 e.v.

[3]
De invloed van suggestie is ook in positieve zin aanwezig. Als een arts zegt dat het pijn gaat doen, dan voelen mensen eerder pijn dan als de arts zegt dat een handeling geen pijn gaat doen. Ondanks dat de handeling hetzelfde is.

[4]
Voor een bestuursrechtelijk voorbeeld zie Rechtspraak.nl,
Een gemeente mag onderzoek naar bijstandsfraude niet uitbesteden aan een commercieel bedrijf, 17 september 2014,
 
[5]
Voor een uitgebreide toelichting op dit voorbeeld: Halpem. D.F., Thought & Knowledge: an introduction to critical thinking, Lawrence Erlbaum Associates, Publishers, 2003, bladzijde 130 e.v.

Onze cognitieve valkuilen

Het menselijk “gezond” verstand kan een beroepsbeoefenaar flink beetnemen. Allerlei problemen kunnen namelijk bij het verwerven, verwerken en uiten van kennis zich voordoen. Deze beperkingen van het verstand worden ook wel cognitieve valkuilen genoemd: valkuilen van het menselijk verstand. We lijken met ons volle verstand en in alle redelijkheid een redenering en de hierin gebruikte informatie te aanvaarden terwijl we dit eigenlijk niet zouden moeten doen.

Volgens de wetenschapsfilosoof Ton Derksen hebben deze valkuilen te maken met onze cognitieve instincten: (vaak) evolutionaire krachten die een juist oordeel in de weg kunnen staan omdat het denken een verkeerde kant op gaat [1]. We moeten trouwens, zo betoogt Derksen, dit elkaar niet kwalijk nemen want het gebeurt vaak onbewust. Heb jij bijvoorbeeld ook niet gedacht dat de aarde stil stond totdat iemand vertelde dat niet waar was? Ons denken kan er gewoon naast zitten.

Dit heeft trouwens niet enkel met opleidingsniveau te maken. Sterker, er zijn auteurs die stellen dat juist "slimme" mensen gevoelig zijn voor de menselijke cognitieve valkuilen [2]. Dit heeft er mee te maken dat juist "slimme" mensen vaak de capaciteiten hebben om de waarheid of juistheid van willekeurig iedere opvatting te verdedigen. Hierdoor hebben zij nog meer dan niet slimme mensen ook de capaciteiten om een niet aanvaardbare bewering - bewust of onbewust - goed te praten. Om recht te praten wat krom is. Terwijl deze rationeel gezien niet aanvaard zou moeten worden. We noemen deze cognitieve valkuil rationaliseren.



Juist "verstandige" mensen zijn gevoelig
voor de menselijke cognitieve valkuilen.



Om te laten zien waar we het over hebben, zal ik hierna de belangrijkste cognitieve valkuilen concreet beschrijven. Probeer bij het lezen van de valkuilen wel scherp te zijn. Ik heb de meeste valkuilen begeleid met bewijs maar dit wil niet zeggen dat het daarom maar klopt. Mijn advies aan je is om te proberen voorbeelden te vinden van de verschillende cognitieve valkuilen. Of nog beter: tegenvoorbeelden. Als je op een gegeven moment denkt “laat maar zien die onderzoeken” dan zet je direct een belangrijke stap in het ontwikkelen van de juiste vragende houding.
__________

[1]
Zie Derksen, T., in KRO Profiel, De mensen achter Lucia de B., uitgezonden 2 april 2008 (nog te raadplegen via internet) 

[2]
Bijvoorbeeld Braeckman, J., Kritisch denken (hoorcollege over het ontwikkelen van heldere ideeën en argumenten), Home Academy Publishers, 2011, CD 1: Hoofdstuk 2: Zijn slimme mensen extra kwetsbaar?

Hoe mensen (niet zonder problemen) kennis verwerven, verwerken en uiten

Uitgangspunt: directe en indirecte kennistoe-eigening
Het startpunt is dat je op twee manieren kennis van iets kunnen verkrijgen waarbij iedere wijze zijn eigen specifieke problemen kent. Je kunt ten eerste iets direct via je zintuigen tot je nemen. Voor de meeste van ons is zicht - het zien met je ogen - hierbij de belangrijkste zintuig. Je ziet bijvoorbeeld dat de achtergrond van deze tekst wit is. En je ziet dat hier letters staan. Ten tweede kun je kennis indirect tot je nemen. Je krijgt dan kennis in de vorm van informatie via anderen aangereikt. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als je een boek leest waarin staat dat 200 jaar geleden op de aarde meer bomen waren dan nu. Of als een medestudent aan een andere student vertelt dat een college – dat de tweede student gemist heeft – erg waardevol was.

Een oplettende lezer zal opmerken dat de tweede vorm van kennis-toe-eigening altijd moet samengaan met de eerste: als iemand jou iets vertelt, neem je dit toch op zich ook direct waar? Dit klopt. Daarnaast zou je ook kunnen zeggen dat datgene wat de ander aan jou vertelt, eerder door hem weer direct is waargenomen. Ook dat klopt. Toch is het onderscheid belangrijk. Als het op informatie van anderen aankomt, zo zal later blijken, moet je extra waakzaam zijn. Als iemand anders jou vertelt dat twee mensen ruzie hebben dan moet je dit eerder met een korreltje zout nemen dan wanneer je het zelf hebt gezien. Maar al had je het zelf waargenomen, dan wil dit nog niet zeggen dat je het juist hebt gezien. Laat staan dat je het later goed verwoordt.

Probleem
Bijna alles dat tot ons komt en later door ons als informatie weer wordt geuit, is namelijk vervormd. Sterker, er zijn zelfs schrijvers die stellen dat reeds alle informatie die tot ons komt – direct of indirect – per definitie verdraaid is [1]. Dit is niet onterecht. Beide vormen van informatieverwerking hebben het namelijk in zich dat de kennis wordt vervormd doordat je bijvoorbeeld iets veronderstelt wat niet hoeft te zijn. Ik zal hier later hier meer concrete voorbeelden van geven. Want om dit te begrijpen, zal ik eerst moeten uitleggen hoe wij mensen informatie verwerken.
 
Het verwerken van informatie
Het proces hoe we een situatie opnemen of informatie tot ons nemen en verwerken wordt perceptie genoemd: het proces waarin een mens signalen van buiten selecteert, organiseert en interpreteert tot een betekenisvol en samenhangend beeld van de wereld. Ieder mens doorloopt – grofweg – de volgende stappen bij het verwerken en vervolgen uiten van informatie [2]:

Kunst van vragen stellen: verwerven en verwerken van kennis en informatie

Fase:
1. Blootstelling aan informatie
Nieuwe informatie begint met het blootgesteld kunnen zijn aan een situatie of informatie. Het is bijna te onnozel voor woorden maar nu je bijvoorbeeld dit boek leest, zie je niet dat 100 meter verderop misschien een ongeluk plaatsvindt. En als je niet kunt horen, werd je ook niet blootgesteld aan de geluiden van het ongeval. Onze zintuigen hebben een absolute drempel. Deze eerste fase toont ons een eerste menselijke tekort: onze zintuigen kunnen enkel registreren waar we nu zijn en met waar onze zintuigen toe in staat zijn. We hebben namelijk te maken met selectieve blootstelling. Een voorbeeld hoe het anders kan? Een koolmees schijnt direct UV-licht te kunnen registreren; wij niet.

2. Aandacht schenken aan een situatie of aan informatie
We kiezen vervolgens onbewust maar actief waaraan we blootgesteld worden. We hebben altijd een bepaalde gerichtheid op de wereld. Om een simpel voorbeeld te geven: je leest nu deze zin terwijl je ogen een groter deel van de pagina zouden kunnen zien (afhankelijk van de afstand). Dit fenomeen noemen we selectieve aandacht of perceptuele blindheid. Een ander voorbeeld: je bent nu gericht op het lezen (visueel) terwijl je de geluiden in je omgeving – waaraan je wel wordt blootgesteld – waarschijnlijk maar nauwelijks registreert) [3]. Ook dit lijkt voor de hand te liggen maar later zal blijken waarom het belangrijk is om je hier bewust van te zijn. Helaas denken we nogal eens dat aanwezig zijn gelijk is aan iets ervaren.

3. Organiseren van de informatie
Vanuit deze gerichtheid ervaren we de wereld met onze vijf zintuigen. Stel, je hebt het auto-ongeluk wel ervaren. Je ziet dan iets (je hebt twee auto’s op elkaar zien botsen), hoort iets (een knal van twee auto’s die op elkaar botsen), voelt iets (een verplaatsing van druk?), proeft iets en/of ruikt iets (brandende olie) en geeft dit allemaal een plekje. Dit wordt door sommige auteurs ook wel het organiseren van de waarneming genoemd. Je organiseert datgene wat je ervaart. Je voegt geluiden, beelden, geuren e.d. samen tot één geheel. Het probleem in deze fase is dat we soms onze zintuigen overschatten. 

4. Opslaan / herinneren van de informatie
De waarneming neem je vervolgens vaster in je op. Je onthoudt de ervaring. Bijvoorbeeld een ongeluk. Eerst kort-tijdelijk, mogelijk ook lang. Je begint met onthouden na een milliseconde. Het probleem is echter dat je niet alles kunt of zult onthouden wat je waarneemt en dat je dus selecteert. Dit noemen we selectieve herinnering. 

5. Betekenis geven aan de informatie
Aan de informatie die tot je is gekomen (zoals bijvoorbeeld een ongeluk) zal je vaak een bepaalde betekenis geven. Je gaat het interpreteren en geeft het voorval een context. Dit kan om te beginnen uit jezelf zijn (je ziet het ongeval en vraagt je af: moet ik de betrokkenen helpen, wie was er eigenlijk fout, et cetera). Ook word je soms op verzoek van anderen ertoe aangezet het voorval te duiden (een agent vraagt aan je wie er fout was). De interpretatie die we aan informatie gaan geven, is echter wel onze eigen interpretatie. Daarom spreken we hier van selectieve interpretatie. We kunnen zelfs informatie omdraaien. Fase 4 en 5 lopen trouwens in de praktijk door elkaar heen: opslaan en interpretatie gaan hand in hand samen en wisselen elkaar af. De betekenis die je geeft, sla je op om vervolgens weer aan die opgeslagen informatie nieuwe betekenis te geven die je dan weer … et cetera.

6. Uiten van de kennis 
Tot slot zal je met de kennis die je nu hebt iets gaan doen. Je gaat het uiten. Dit kan in direct concreet gedrag zijn (je gaat helpen de bestuurders te bevrijden) maar ook later. Van het laatste is bijvoorbeeld sprake als je achteraf aan een rechter vertelt wat je hebt gezien. Deze uiting kan te beperkt zijn. Misschien is er te weinig tijd om alles te vertellen en vergeet je belangrijke details te verwoorden. In deze fase speelt taal ook een belangrijke rol. Sommige mensen beschikken niet over de juiste woordenschat om zich goed correct te kunnen uitdrukken. Reageerde de tegenpartij nu cynisch, ironisch of sarcastisch? Niet iedereen zal het verschil tussen de drie begrippen helder hebben.

Bij ieder van deze stappen zien we dus allerlei beperkingen waardoor de oordelen die we maken op basis van deze informatie niet kloppen.Welke concrete problemen zich kunnen voordoen, zal ik later behandelen.



"Er zijn schrijvers die stellen dat alles dat tot ons komt per definitie verdraaid is." 


__________

[1]
Bijvoorbeeld Derksen,T., De ware toedracht, praktische wetenschapsfilosofie voor waarheidzoekers, Veen Magazines bv., 2010, bladzijde 69. Dit sluit ook nauw aan bij de Latijnse herkomst van het woord informeren, namelijk ‘informare’, hetgeen staat voor vormgeven / vormen.

[2]
Het waardevolle van deze indeling is dat deze – of vergelijkbare indelingen – ook vaak wordt gebruikt door marketeers om juist de ander bewust – manipulatief – of onbewust te overtuigen. Bijvoorbeeld Armstrong,G., Harker,M. e.a., Marketing: An Introduction, Pearson Education, 2009, bladzijde 159. Een kritische houding zou je kunnen zien als het tegenovergestelde hiervan.

[3]
Treffend is dat mensen met een bepaalde zintuiglijke beperking (bijvoorbeeld blind vanaf geboorte) meer geoefend zijn in het ervaren met de andere zintuigen (in dit geval horen). O.a. Gougoux F. e.a., Neuropsychology: Pitch discrimination in the early blind, in: Nature, 2004, Vol. 430 (309). Mensen die vanaf hun geboorte of vlak na de geboorte blind zijn geworden horen an sich dus niet beter maar zijn wel beter in het opnemen van wat ze horen.
 

Het verkeerd inschatten van onze zintuiglijke waarneming

Mensen hebben de neiging om te veel te vertrouwen op hun eigen zintuigen. Wat we waarnemen zal wel waar zijn. Soms – en dit verschilt weer van persoon tot persoon – schiet onze waarneming echter te kort. Zonder dat we het doorhebben. De kennis die we hebben – en we meenemen in onze oordeelsvorming – kan hierdoor minder betrouwbaar zijn dan we vermoeden.

Voorbeeld 1
Staan de twee torens van Pisa even scheef?

       

Veel mensen menen dat torens niet even scheef staan. De rechtertoren staat schuiner. Toch is deze waarneming niet correct. De torens staan even scheef.
 
Voorbeeld 2
Een bekend voorbeeld is het verkeerd inschatten van lengte. De achtergrond van iemand maakt dat we soms de lengte van een persoon verkeerd inschatten. Als een persoon voor een flatgebouw staat, schatten we de man of vrouw kleiner in dan wanneer de persoon naast een kind stond [1]. Een oordeel gebaseerd op deze kennis – bijvoorbeeld van een getuige die stelt dat de persoon die betrokken was bij een winkeldiefstal ongeveer 1.80 meter was – kan hierdoor minder betrouwbaar zijn.

Voorbeeld 3
Mensen die in de mist een auto besturen, schatten in het algemeen hun snelheid niet goed in. Ze gaan vaak harder dan ze denken dat ze gaan. Door de mist letten ze namelijk nog beter op het zicht – steekt er niet iemand over? – waardoor ze minder op de snelheidsmeter kijken. De snelheid wordt vervolgens geschat en ondanks de mist gaat dit niet goed. Veel mensen rijden hierdoor harder dan ze denken . Een oordeel – bijvoorbeeld van een automobilist die aangeeft niet te hard gereden te hebben – kan niet correct zijn.
 
Al zijn in de literatuur meer voorbeelden bekend die de beperkingen van onze zintuigen aantonen, toch hebben maar weinig mensen in de beroepspraktijk met oordeelsvorming te maken waar het op dergelijke kennis aankomt. Maar blijf desondanks alert. Je eerste waarneming - toen je nog kind was - gaf je mogelijk het idee dat de aarde plat was, je leerde later waarschijnlijk dat de aarde een bol was terwijl uiteindelijk de aarde afgeplat bolvormig is.

__________

[1]
Een specifieke variant van het verkeerd inschatten van lengte zie je terugkomen in de zogenaamde Ames-room. Dit is een optische illusie waarbij een kamer zo is geconstrueerd alsof het lijkt dat mensen in lengte verschillen terwijl dit niet het geval is. Een zoekactie op internet naar Ames-room levert al snel mooie voorbeelden op.

[2]
Snowden, R. J., Stimpson, N.,  en Ruddle, R. A., Speed perception fogs up as visibility drops, in: Nature, 1998, Vol 392 (450).

De kunst van het bevragen van oordelen

De fundamentele vraag die een kritisch professional zich (dus) continu stelt is "Waarom zou ik deze informatie aanvaarden?" Als deze informatie specifiek een oordeel betreft, wordt dit de vraag: "Waarom zou ik dit betoog of deze redenering aanvaarden?"

Voorbeeld 1
Stel een bestuurder van een organisatie geeft aan dat er gereorganiseerd moeten worden. Als een lid van een ondernemingsraad vervolgens aan de bestuurder vraagt waarom hij dit oordeel zou moeten aanvaarden, dan is dit op zich een goede vraag.

Het nadeel van deze vraag is wel dat deze erg algemeen is. Het gevolg is dat het stellen van de vraag in de beroepspraktijk niet altijd de gewenste informatie oplevert. Zo is de kans groot dat de bestuurder in het voorbeeld enkel wat argumenten herhaalt. Heeft het OR-lid hiermee genoeg kennis om het oordeel te aanvaarden?



"De kwaliteit van een antwoord wordt
bepaald door de kwaliteit van de vraag."



Gelukkig zijn er goede vervolg- en deelvragen te stellen om te bepalen of je een oordeel kunt omarmen - meer formeel om vast te stellen of het oordeel aanvaardbaar is. Om deze deelvragen te vinden, zijn er wel verschillende aanvliegroutes. Hiervan zal ik in dit boek er drie behandelen. Deze drie manieren verschillen van elkaar doordat ze elk op een andere manier vaststellen of je een oordeel kunt omarmen. Een oordeel kun je aanvaarden als ...

  1. ... er sprake is van deugdelijke oordeelsvorming: bij individuele oordeelsvorming betekent dit dat het oordeel zelfstandig en bij volle verstand is genomen; niet gehinderd door enige cognitieve valkuil zoals bijvoorbeeld dat toegeven is aan groepsdruk, of
  2. ... het oordeel goed is omdat het voldoet aan bepaalde criteria: het oordeel is gebaseerd op aanvaardbare informatie en relevante, toereikende argumentatie, of
  3. ... het oordeel niet slecht is omdat het bepaalde drogredenen kent of zelf een drogreden is.

Je kunt deze criteria vertalen naar drie hoofdvragen bij professionele oordelen / oordeelsvorming:

  1. Is sprake van deugdelijke oordeelsvorming? Bij individuele oordeelsvorming: is het oordeel zelfstandig en bij volle verstand genomen; niet gehinderd door bepaalde cognitieve valkuilen
  2. Is het oordeel - als eenmaal helder is wat het oordeel is - goed omdat het gebaseerd is op aanvaardbare informatie en relevante, toereikende argumentatie?
  3. Is het oordeel niet slecht omdat het drogredenen kent of zelf een drogreden is?

Deze drie vragen staan in beginsel los van elkaar. De eerste vraag bevraagt het proces van oordeelsvorming, met de tweede vraag wordt onderzocht of sprake is van een goed oordeel (niet te verwarren met of het een juist oordeel is) terwijl je met de derde vraag afvraagt of geen sprake is van een slecht oordeel [1]. Dus om vast te stellen of je een oordeel kunt aanvaarden, kun je in beginsel elk van deze vragen stellen.

Toch zit er wel een verband tussen de vragen. Als een oordeel bijvoorbeeld gebaseerd is op niet-relevante argumentatie (voorwaarde 2) dan zal ook vaak sprake zijn van een drogreden (voorwaarde 3) en hebben een of meerdere cognitieve valkuilen de oordeelsvorming waarschijnlijk in de weg gestaan (voorwaarde 1). Het kan niet zo zijn dat op grond van het ene criterium sprake lijkt te zijn van een goed oordeel terwijl volgens het andere criterium het oordeel niet goed is.

(terug naar het overzicht)

__________

[1]
Omdat de drogredenmethode in de kern negatief is - namelijk gericht op wat een oordeel tot een slecht oordeel maakt - is deze aanpak in de loop der jaren bij argumentatietheoretici meer op de achtergrond komen te staan. Desondanks is bevragen van oordelen op basis van drogredenen nog steeds waardevol. Zie voor deze conclusie ook Hughes, W., Lavery, J. en Doran, K., Critical thinking, an introduction to the basic skills, Broadview Press, 2009, bladzijde 113.

Ajax-Az en het sepot. Heeft scheidsrechter Nijhuis nu wel of niet juist gehandeld? (update)

Vragen te over. We hebben vorige week kennis mogen maken met Wesley W. en zijn aanval op AZ-keeper Esteban tijdens het bekerduel AZ-Ajax. Esteban weerde de aanval af maar trapte twee keer door. De doelman krijgt vervolgens de rode kaart van scheidsrechter Nijhuis. Dit tot grote frustratie van de AZ-spelers.



De KNVB stelt vervolgens dat Nijhuis juist heeft gehandeld. Er is sprake van gewelddadig gedrag / gewelddadige handeling van een speler tegen een ander persoon en deze overtreding wordt gestraft met een rode kaart, dus veldverwijdering. Zie de tuchtregels, regel 12. Reeds een dag later besluit de KNVB de kaart te seponeren:
Desondanks is de aanklager – kijkend naar de specifieke omstandigheden – van mening dat de doelman zich in een situatie bevond die een zodanige gemoedsbeweging tot stand heeft gebracht dat hij de ingegeven reactie heeft uitgevoerd.
Zou dit ook de strafrechtelijke uitkomst zijn geweest? Zeker bij afwezigheid van beelden? Stel: een agent ziet een jongeman iemand aanvallen, de persoon die aangevallen wordt, weert zich af maar schopt twee keer terug op de persoon. Bij de tweede keer zijn andere mensen al te hulp geschoten. De agent legt dit vast en het OM laat dit voorkomen (of staat voor de vraag dit te doen). Hoe zou de betrokkenen moeten redeneren? Noodweerexces? Waarschijnlijk. Maar het kan wel eens lastig zijn voor de officier/rechter om te bepalen in hoeverre bij de tweede trap nog sprake is van overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging als onmiddellijke gevolg van een hevige gemoedsbeweging. Wel het gevolg, maar onmiddellijk? Het toont in ieder geval de invloed van beelden.

Het sepot is maar een vreemd instrument. De keuze om een zaak te laten rusten die vervolgens kan worden getoetst op redelijkheid. Is dit (mede) een ethische afweging? Kan iedere (in dit geval tuchtrechtelijke) regel hiermee terzijde worden gelegd? Wat is dan nog rechtmatig handelen? Je zou in de zaak Esteban ook kunnen redeneren dat de regel - die Nijhuis schijnbaar goed heeft uitgevoerd - niet correct is. Vervelend voor de keeper, maar wel naar de maat van het recht. De vraag waar ik mee worstel is de volgende: hoe kan het dat Nijhuis juist heeft gehaald en dat toch de zaak geseponeerd wordt? Indien met juist "juridisch juist" wordt bedoeld, kan dit natuurlijk verklaard worden door verschillen in bevoegdheden. Maar toch wringt het ergens. De reacties die volgen op de rode kaart, van zowel spelers als zelfs supporters, maken dit zo mooi duidelijk. Dus vragen te over: is de regel nu niet correct (en moeten we die eventueel aanpassen) of is de regel niet juist toegepast? Wat is het juridische kader? Waar komen ethische afwegingen in beeld?

Een leuke, aansprekende casus om de verschillen tussen juridische en morele oordelen te bestuderen.

Aanklager seponeert rode kaart Esteban, KNVB, 22-12-2011
Spelregels veldvoetbal en de aanvullingen, Voetbal.nl/KNVB
Reglementen betaald voetbal 2011/2012, KNVB

Update 2 januari 2012. In De Volkskrant een aanverwante discussie:
Brussen vs. Von der Dunk: 'Affaire-Esteban leerzaam voor Henk en Ingrid', Volkskrant, 02-01-2012

"I like large breasts' but she's bogus". De invloed van uiterlijk op rechtszaken.

Pas op: borsten in de rechtzaal. De 'hijgerigheid' van het onderwerp is gelukkig nu verdwenen, maar de vraag die Daniella Atencia (onbewust) opriep is niet minder interessant. Hoe weten we of het uiterlijk van iemand geen invloed heeft gehad op de uitkomst van een reguliere rechtszaak? Aangezien veel (?) advocaten ook deze kant van de zaak voorbereiden met hun cliënt ('doe even een jasje aan') een relevant aandachtspunt.

Meerdere (onbewuste) vooroordelen kunnen ons in de weg zitten. Bijvoorbeeld dat we mooie mensen eerder koppelen aan succes dan lelijke mensen. Mooie mensen worden bijvoorbeeld eerder aangenomen dan de naar maatschappelijke normen minder mooi gelukte medemens. Daarnaast relateren we ook uiterlijk soms met betrouwbaarheid. Blonde serveersters krijgen dan misschien wel een hogere tip maar brunettes worden bijvoorbeeld weer als betrouwbaarder gezien. Kort gezegd: ons moreel oordeel over de ander wordt soms onbewust beïnvloed door het uiterlijk.

Zou dit nu in de rechtszaal anders liggen? Vaak wordt dan gewezen naar de ervaring van rechters. In de business-wereld bleek ervaring echter nog geen garantie te zijn voor een objectieve afweging. Zo lieten Marlowe, Schneider en Nelson (1996) zien dat ook ervaren managers het nog lang niet altijd lukt om door het uiterlijk heen kijken.

Daarom: hoe weet een rechter dat hij of zij niet wordt beïnvloed door het uiterlijk van betrokkene?

Lawyer: Opponent is using buxom assistant to distract jury; 'I like large breasts' but she's bogus, NY Daily News, 26-05-2011
So blondes really do have more fun: Men claim brunettes make the best wives, but fair haired women are better in bed, Daily Mail, 13-02-2010
Gender and attractiveness biases in hiring decisions: Are more experienced managers less biased?, American Psychological Association (PsycNET), february 1996

Een klassieker: hoe een dronken advocaat overtuigen dat hij te veel gedronken heeft.

Wat te doen met de advocaat die te laat maar onder invloed verschijnt op een zitting en betrokken is geweest bij een ongeluk. Helemaal als dit pas na anderhalf uur duidelijk wordt en daardoor het promillage onder de strafbare maat ligt. Het vraag-antwoordspel van de rechter is mooi.

Deel 1



Deel 2



Deel 3



Deel 4